zondag 22 maart 2015

Klaverblad Ouderijn sluit binnenkort

Dit blog gaat binnenkort sluiten. Maar dat betekent niet dat de tent helemaal gaat sluiten. Integendeel. Via de site Nah – Verborgen Kopzorgen kom ik terug met een veel uitgebreidere blog. Op de site is Uit het Dagboek van een Onbestorven Weduwe te vinden. daarnaast zijn er artikelen te vinden die beschrijven hoe het is te leven met een partner met niet-aangeboren hersenletsel en de onzichtbare beperkingen. Tips, verhalen en ervaringen. Bovendien is er ruimte voor lotgenoten om ook hun ervaringen te delen.
Ik hoop jullie weer terug te zien bij Nah – Verborgen Kopzorgen.

maandag 9 maart 2015

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 81

De zurige, weeë lucht die bij vlagen mijn neusgaten binnendringt, associeer ik met de dood. Ik ken de geur nog van vroeger, toen ik als kind vlak bij de beendermeelfabriek woonde. Als de wind verkeerd stond, drong het odeur van oude karkassen diep de neusgaten binnen. Zoiets blijft je bij. Hier in huis is het er even en dan is het weer weg. Het maakt een beetje misselijk. Gisteravond heb ik er al een vleug van geroken toen de afvalbak in de keuken nog openstond omdat de vuilniszak, waarin de plasluier van kleindochter er zojuist was uitgehaald. Desondanks bleef het hangen. Die lichte misselijkheid weet ik aan de pannenkoek die wij samen met kinderen even daarvoor hadden gegeten om de verjaardag van mijn lief te vieren.
Onwillekeurig kijk ik naar hem. Hij zal toch niet... Nee, hij zit er nog; springlevend. Mijn angst is verklaarbaar maar overdreven. Ik wil er niet aan toegeven en mij verliezen in paniek. Mijn gedachten zet ik op een ander spoor. Hij moet er om lachen.
– Ik ben niet meteen een oud lijk.
Toch blijft die lucht. In de nacht heeft die zich zurig door het trappenhuis verspreid. Ook de bovenverdieping is nu geïnfecteerd. Op onderzoek uit merk ik dat de riolering naar behoren functioneert. Voor de zekerheid een scheut bleek in het toilet. De geur dringt daar dwars doorheen.
– Straks zit er een dood vogeltje in de luchtkoker, zeg ik.
Ik weet niet meer waar te zoeken. Hij ook niet. Hij werkt er gewetensvol om het ontbijt klaar te zetten en dat tot een goed einde te brengen. Alle aandacht gaat uit naar het tellen van de hoeveelheid dingen die op tafel staan; naar het water in de ketel; naar de eieren in de pan.
Niet veel later komt hij naast het fornuis de oorzaak van die ellendige geur ineens tegen. Twee dagen eerder heeft hij porties kip staan snijden om ze in zakjes verdeeld in de diepvries te stoppen. Een zakje had de euvele moed aan zijn aandacht te ontsnappen en buiten de koelkast op het aanrecht te blijven liggen, ergens in het verborgene. Vast even afgeleid door een of ander. Nu komt het zakje ineens tevoorschijn; de rakker, verantwoordelijk voor dood en verderf in ons huis. Mijn lief schalt zijn prestatie door het huis.
– Gevonden.
En alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, komt er droog achteraan:
– Het is – gewoon – een stuk kip.
Ik, opgelucht:
– Aha, dus toch een dood vogeltje.

© jvs

donderdag 5 februari 2015

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 80

De schade van de laatste tijd:
1 glazen beschuitstolp – aan diggelen;
1 boterkuipje – Bodem gespleten in zijn val;
1 nieuwe buts in de plavuizen;
1 keukenmachine met gesmolten schroeiplek – vatte vlam maar doofde zichzelf tijdig;
1 kliek op de keukenvloer;
en 1 blauwe teen – wat uitmondde in 4 blauwe tenen en een dikke voet.
Maar wat hebben we samen toch een pret gehad. Mijn lief en ik, wij hebben heel wat afgelachen. Ons huis staat er nog – behalve de beschuitstolp en de kliek is alle nog even bruikbaar hoewel soms wat minder toonbaar. Maar vooruit; het vrolijkste huishouden vind je hier.

© jvs

vrijdag 2 januari 2015

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 79

Ineens kom ik dan toch toe aan verwerken. Dat heeft veel om het lijf. Vooral de pijntjes en de lichamelijke ongemakken vallen op. Ook huilbuien verschijnen opnieuw op het toneel. Het is alsof er een scheidsrechter op een fluitje blaast waarna hele horden zoutwaterdruppels mijn wangen verwarmen. Ergens staat een kraan open die zich niet wil laten sluiten.
Op het Texelse strand, windkracht 8 schuin in de rug – een vale zon gluurt over de duinen – lopen wij; hij en ik met eigen gedachten. We genieten; zand, zeezout, tranenzout, de randen van mijn ogen rood. Achter hem aan bestijg ik de trap van Paal 19 Half voor en kop thee. Tegenover elkaar gezeten, de zon strijkend over de tafel, kijken hij en ik elkaar lang aan; de gevoelens gemengd. Verdriet en geluk, ja zelfs verliefdheid, kunnen prima samengaan. Laat dat gezegd zijn. Tegelijkertijd manifesteren zij zich aan mij; het verwart mij niet meer. We hoeven niets te zeggen; alleen maar kijken.
Een tafel verderop zit een gezin: man, vrouw en drie puberkinderen. Er wordt daar gezwegen.
Dat wil zeggen: de kinderen puberen hardop en gezellig. De andere twee zwijgen min of meer, of spreken tot elkaar via de kinderen. Totdat de stilte aan die tafel hartgrondig uitbreekt.
Tijd om er een glazige blik op te werpen. Die valt rechtstreeks in de ogen van de moeder. Zij heeft ons bekeken, heeft gezien dat er iets gaande was. Op haar beurt draait zij de blik snel naar het tafelblad, waarna ze het geheel van haar lichaam negentig graden wendt en achter de man langs door het raam over de zee begint te staren.
Zij heeft bij mij iets gelezen wat zij misschien niet in details heeft kunnen begrijpen. Een samengaan van emoties die mij het rijke leven uitdrukken. Nooit is iets eenduidig, nooit is iets zwart-wit. Zoals een schaterlach gehoord mag worden, zo hebben rouw, geluk en liefde het recht te verschijnen. En boosheid evenzeer. Waar nodig tegelijk.
Aan de andere tafel lijkt zij op zee te zoeken naar betekenis. Ze is de grote afwezige. Ik krijg het zowaar met haar te doen.

© jvs

dinsdag 18 november 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 78

Wat wil ik hem graag iets vertellen. Gewoon zo’n verhaal, als alle, met een begin, een middenstuk en een eind, zijpaden bewandelen, personages bespreken, achtergronden erbij; gewoon de dag wat doornemen – gewoon.
Steeds probeer ik het opnieuw, met een ander verhaal, een afgebroken verhaal, een nieuwsbericht. Hij luistert, ogenschijnlijk met aandacht. Hij is een goed acteur. Zijn uitgestreken gezicht vertelt mij niet dat hij mij kwijt is. Hij wil mij niet kwetsen. Dus doet hij nog een poging geïnteresseerd te lijken maar de wanhoop slaat hem dan al om de oren. Ik zie hoe hij zijn hoofd opricht en ademhaalt voor een vers pak op mijn donder. Verstoord – voelt hij zich aangevallen? – brengt hij ontwarring: “Ja, wat wil je hier nou eigenlijk mee zeggen.”
Alsof ik hem iets voor de voeten heb geworpen, alsof hij er resoluut mee klaar is. Afgewezen druip ik af.
Vandaag kom ik bij hem terug, een uur na weer zo’n uitval. Voorzichtig vertel ik hem wat ik voel. Geen verwijt, geen schuld. Hij is het zich bewust, zegt hij – herkent het – en lacht erom. Ik ben hem onnavolgbaar. Die zijpaden, achtergronden, dat uitgebreide middenstuk; in zijn hoofd raken ze versnipperd tot een miljoenen stukjes tellende legpuzzel. Nooit meer op te lossen.
Bij een volgende gelegenheid zal ik zijn uitval gewoon weer slikken. Nu kussen we het af.

© jvs

dinsdag 4 november 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 77

Sonja Barend, de presentator die in haar programma’s de controverse niet schuwde, sprak afgelopen vrijdag bij Matthijs van Nieuwkerk in De Wereld Draait Door haar afschuw uit over de documentaire Eens wil ik er van af van Maarten Mourik; en ik was geschokt.
In de film was Mourik in gesprek met Adèle Bloemendaal, de vedette van het Nederlandse cabaret, vlak voordat ze door een zesde beroerte werd getroffen. De schaamte voorbij toonde Bloemendaal zich op en top mens, compleet met de beperkingen die de slagen haar hadden gebracht, een vrouw die de problemen van haar haperend hoofd had aanvaard en zich niet wenste te verstoppen om haar veranderd gedrag en voorkomen. Ze wist wat ze deed toen zij erin toestemde deze documentaire te maken.
Dit beeld raakte Sonja Barend enorm. “Adèle is voor mij een ster”, zei ze, “zo iemand die overrompelend was op haar gebied.” Het zien van de aftakeling maakte haar ‘treurig’.
“Ik vind dat je waardig oud moet worden en dat [...] je iemand hier toch vooral voor zal moeten behoeden. [...] Ik vind het beeld van haar niet mooi; dit aan het eind van haar carrière te zien, omdat ik haar wil onthouden zoals ze was. Ik vind het jammer dat we nu opgezadeld worden met deze laatste indruk.”
Sonja Barend op haar beurt schokte mij. Het was háár diepe emotie, een meest primaire reactie die zij hier als waarheid naar voren bracht zonder het besef dat zij daarmee wilde bepalen dat hier een norm zou zijn overschreden die in feite geen norm is; er was een diepgewortelde angst voor het onbekende voelbaar.
In mijn omgeving doe ik er alles aan om te tonen hoe mooi het leven kan zijn, zelfs als het hoofd niet meer functioneert zoals het zou moeten. Een uit onhandigheid stukgevallen kopje, een vreemd uitgesproken zin, een woede-uitbarsting, de paniek omdat een pincode een keer te vaak fout is ingetoetst; alles is aanleiding om leven tot kunst te verheffen, hoe moeilijk dat ook is.
Jaarlijks krijgen in Nederland 41.000 mensen een beroerte, van wie een vijfde binnen een jaar overlijdt. Dat betekent dat 32.800 mensen jaarlijks een beroerte overleven. Veel mensen houden hieraan beperkende gevolgen over, soms zichtbaar maar heel vaak ook onzichtbaar. Levens veranderen ingrijpend. Te ingrijpend veelal voor de sociale omgeving die moeite heeft te volgen en te snappen. De veranderingen kunnen verborgen zitten in onopvallende dingen. De verwachting van vrienden, naasten, is dan te hoog. Die willen niet zien, of kunnen niet zien, hebben angst voor de veranderingen, durven er niet over te praten, durven geen vragen te stellen, open en eerlijk en vervallen in ontkenning en verwijt. Afwijzing en ontkenning brengen onnodig pijnlijke situaties en isolement.
Bij Matthijs verviel Sonja Barend in een soortgelijke bijna voorspelbare reactie: angst voor deze vorm van aftakeling, afwijzing en dus ontkenning. Haar optreden doet geen goed voor al die mensen die volkomen bij hun verstand zijn maar zich wat ‘vreemd’ gedragen, vreemd praten, gekke zinnen bouwen, ineens uit hun slof schieten, plotseling gaan huilen, scheef lopen, een hangend oog hebben, van alles laten vallen of wat dan ook, omdat hun hersenen door letsel niet lekker functioneren. Moeten zij dan maar uit het straatbeeld verdwijnen? Ik zou zeggen: dit is ook leven; leer er maar mee omgaan en luister ook naar wat zij te vertellen hebben.
Had Adèle voor de goede smaak, voor het beeld van haar publiek, haar leven zoals het na die beroertes was geworden, dan maar moeten ontkennen? Voor het publiek had Adèle Bloemendaal had nog een prachtige boodschap. Toen Mourik haar vroeg welke indruk zij zou willen dat de mensen van haar hebben, antwoordde zij recht voor zijn raap: “Interesseert me geen reet. Interesseert me werkelijk geen reet.” Die attitude heeft haar staande gehouden.

© jvs

donderdag 23 oktober 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 76

De veranderingen in zijn functioneren heeft hij vastgelegd. Dat is handig bij revalidatie en ondersteuning – om richting te geven. Niet uitgebreid, niet uitputtend; twaalf pagina’s in een klein rood notitieboekje. Vandaag kom ik het tegen. Er steekt een pen op de plek waar hij is gebleven. Daar stoppen de aantekeningen en volgt de maagdelijkheid van het onvoorziene. De beperkingen die nog zullen opduiken.
Notities bijhouden vergt hem de extra aandacht die hij eigenlijk niet heeft. Logisch dat hij het boekje zo snel weer heeft weggelegd. Het past niet in zijn routine; er zelf om denken valt buiten zijn bereik. Hoe nuttig het ook zou zijn, zijn beleving is een andere.
Iedere situatie brengt gewaarwordingen mee. Zoals zinnen begoocheld worden door een illusionist houden zijn hersenen hem voor de gek, zetten hem op het verkeerde been. Hij is een onbestuurbaar vehikel, een op hol geslagen rijdier, die de werkelijkheid best wil zien maar als ongrijpbaar steeds moet aanpassen; en met een eigen perceptie.
Nu dringt tot hem door dat even omschakelen om een telefoon te beantwoorden, niet zo vanzelfsprekend is. Of dat strepen in de vloerbedekking van een draaideur hem zeeziek maken. Of dat een klus niet afkomt omdat hij toch dat stomme telefoontje heeft beantwoord. Of dat hij die verkoper aan de andere kant van de lijn niet meer van zich af kan schudden omdat hij alleen maar beleefd kan blijven. Of dat hij van een gebroken glas alleen de grote scherven opruimt. Of dat een route plannen niet vanzelf gaat. Of... Meer heeft hij niet opgeschreven.
Het zijn gewaarwordingen, steeds nieuwe ontdekkingen; en die blijven komen. Een ander mens in dezelfde gedaante. Hij en ik, we hebben hem opnieuw moeten leren kennen. Wat geen geringe prestatie is. Herkenning en erkenning gaan daaraan vooraf. Aanvaarding ook. Er is in hem een uitzonderlijk mens ontstaan. Een mens met een bijsluiter; de moeite waard om te leren kennen. Wat zou het toch mooi zijn als de naasten uit zijn geboorteplaats hem opnieuw zouden willen leren kennen en met hem willen ervaren dat het bestaan veel meer kanten heeft.

© jvs