dinsdag 18 november 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 78

Wat wil ik hem graag iets vertellen. Gewoon zo’n verhaal, als alle, met een begin, een middenstuk en een eind, zijpaden bewandelen, personages bespreken, achtergronden erbij; gewoon de dag wat doornemen – gewoon.
Steeds probeer ik het opnieuw, met een ander verhaal, een afgebroken verhaal, een nieuwsbericht. Hij luistert, ogenschijnlijk met aandacht. Hij is een goed acteur. Zijn uitgestreken gezicht vertelt mij niet dat hij mij kwijt is. Hij wil mij niet kwetsen. Dus doet hij nog een poging geïnteresseerd te lijken maar de wanhoop slaat hem dan al om de oren. Ik zie hoe hij zijn hoofd opricht en ademhaalt voor een vers pak op mijn donder. Verstoord – voelt hij zich aangevallen? – brengt hij ontwarring: “Ja, wat wil je hier nou eigenlijk mee zeggen.”
Alsof ik hem iets voor de voeten heb geworpen, alsof hij er resoluut mee klaar is. Afgewezen druip ik af.
Vandaag kom ik bij hem terug, een uur na weer zo’n uitval. Voorzichtig vertel ik hem wat ik voel. Geen verwijt, geen schuld. Hij is het zich bewust, zegt hij – herkent het – en lacht erom. Ik ben hem onnavolgbaar. Die zijpaden, achtergronden, dat uitgebreide middenstuk; in zijn hoofd raken ze versnipperd tot een miljoenen stukjes tellende legpuzzel. Nooit meer op te lossen.
Bij een volgende gelegenheid zal ik zijn uitval gewoon weer slikken. Nu kussen we het af.

© jvs

dinsdag 4 november 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 77

Sonja Barend, de presentator die in haar programma’s de controverse niet schuwde, sprak afgelopen vrijdag bij Matthijs van Nieuwkerk in De Wereld Draait Door haar afschuw uit over de documentaire Eens wil ik er van af van Maarten Mourik; en ik was geschokt.
In de film was Mourik in gesprek met Adèle Bloemendaal, de vedette van het Nederlandse cabaret, vlak voordat ze door een zesde beroerte werd getroffen. De schaamte voorbij toonde Bloemendaal zich op en top mens, compleet met de beperkingen die de slagen haar hadden gebracht, een vrouw die de problemen van haar haperend hoofd had aanvaard en zich niet wenste te verstoppen om haar veranderd gedrag en voorkomen. Ze wist wat ze deed toen zij erin toestemde deze documentaire te maken.
Dit beeld raakte Sonja Barend enorm. “Adèle is voor mij een ster”, zei ze, “zo iemand die overrompelend was op haar gebied.” Het zien van de aftakeling maakte haar ‘treurig’.
“Ik vind dat je waardig oud moet worden en dat [...] je iemand hier toch vooral voor zal moeten behoeden. [...] Ik vind het beeld van haar niet mooi; dit aan het eind van haar carrière te zien, omdat ik haar wil onthouden zoals ze was. Ik vind het jammer dat we nu opgezadeld worden met deze laatste indruk.”
Sonja Barend op haar beurt schokte mij. Het was háár diepe emotie, een meest primaire reactie die zij hier als waarheid naar voren bracht zonder het besef dat zij daarmee wilde bepalen dat hier een norm zou zijn overschreden die in feite geen norm is; er was een diepgewortelde angst voor het onbekende voelbaar.
In mijn omgeving doe ik er alles aan om te tonen hoe mooi het leven kan zijn, zelfs als het hoofd niet meer functioneert zoals het zou moeten. Een uit onhandigheid stukgevallen kopje, een vreemd uitgesproken zin, een woede-uitbarsting, de paniek omdat een pincode een keer te vaak fout is ingetoetst; alles is aanleiding om leven tot kunst te verheffen, hoe moeilijk dat ook is.
Jaarlijks krijgen in Nederland 41.000 mensen een beroerte, van wie een vijfde binnen een jaar overlijdt. Dat betekent dat 32.800 mensen jaarlijks een beroerte overleven. Veel mensen houden hieraan beperkende gevolgen over, soms zichtbaar maar heel vaak ook onzichtbaar. Levens veranderen ingrijpend. Te ingrijpend veelal voor de sociale omgeving die moeite heeft te volgen en te snappen. De veranderingen kunnen verborgen zitten in onopvallende dingen. De verwachting van vrienden, naasten, is dan te hoog. Die willen niet zien, of kunnen niet zien, hebben angst voor de veranderingen, durven er niet over te praten, durven geen vragen te stellen, open en eerlijk en vervallen in ontkenning en verwijt. Afwijzing en ontkenning brengen onnodig pijnlijke situaties en isolement.
Bij Matthijs verviel Sonja Barend in een soortgelijke bijna voorspelbare reactie: angst voor deze vorm van aftakeling, afwijzing en dus ontkenning. Haar optreden doet geen goed voor al die mensen die volkomen bij hun verstand zijn maar zich wat ‘vreemd’ gedragen, vreemd praten, gekke zinnen bouwen, ineens uit hun slof schieten, plotseling gaan huilen, scheef lopen, een hangend oog hebben, van alles laten vallen of wat dan ook, omdat hun hersenen door letsel niet lekker functioneren. Moeten zij dan maar uit het straatbeeld verdwijnen? Ik zou zeggen: dit is ook leven; leer er maar mee omgaan en luister ook naar wat zij te vertellen hebben.
Had Adèle voor de goede smaak, voor het beeld van haar publiek, haar leven zoals het na die beroertes was geworden, dan maar moeten ontkennen? Voor het publiek had Adèle Bloemendaal had nog een prachtige boodschap. Toen Mourik haar vroeg welke indruk zij zou willen dat de mensen van haar hebben, antwoordde zij recht voor zijn raap: “Interesseert me geen reet. Interesseert me werkelijk geen reet.” Die attitude heeft haar staande gehouden.

© jvs

donderdag 23 oktober 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 76

De veranderingen in zijn functioneren heeft hij vastgelegd. Dat is handig bij revalidatie en ondersteuning – om richting te geven. Niet uitgebreid, niet uitputtend; twaalf pagina’s in een klein rood notitieboekje. Vandaag kom ik het tegen. Er steekt een pen op de plek waar hij is gebleven. Daar stoppen de aantekeningen en volgt de maagdelijkheid van het onvoorziene. De beperkingen die nog zullen opduiken.
Notities bijhouden vergt hem de extra aandacht die hij eigenlijk niet heeft. Logisch dat hij het boekje zo snel weer heeft weggelegd. Het past niet in zijn routine; er zelf om denken valt buiten zijn bereik. Hoe nuttig het ook zou zijn, zijn beleving is een andere.
Iedere situatie brengt gewaarwordingen mee. Zoals zinnen begoocheld worden door een illusionist houden zijn hersenen hem voor de gek, zetten hem op het verkeerde been. Hij is een onbestuurbaar vehikel, een op hol geslagen rijdier, die de werkelijkheid best wil zien maar als ongrijpbaar steeds moet aanpassen; en met een eigen perceptie.
Nu dringt tot hem door dat even omschakelen om een telefoon te beantwoorden, niet zo vanzelfsprekend is. Of dat strepen in de vloerbedekking van een draaideur hem zeeziek maken. Of dat een klus niet afkomt omdat hij toch dat stomme telefoontje heeft beantwoord. Of dat hij die verkoper aan de andere kant van de lijn niet meer van zich af kan schudden omdat hij alleen maar beleefd kan blijven. Of dat hij van een gebroken glas alleen de grote scherven opruimt. Of dat een route plannen niet vanzelf gaat. Of... Meer heeft hij niet opgeschreven.
Het zijn gewaarwordingen, steeds nieuwe ontdekkingen; en die blijven komen. Een ander mens in dezelfde gedaante. Hij en ik, we hebben hem opnieuw moeten leren kennen. Wat geen geringe prestatie is. Herkenning en erkenning gaan daaraan vooraf. Aanvaarding ook. Er is in hem een uitzonderlijk mens ontstaan. Een mens met een bijsluiter; de moeite waard om te leren kennen. Wat zou het toch mooi zijn als de naasten uit zijn geboorteplaats hem opnieuw zouden willen leren kennen en met hem willen ervaren dat het bestaan veel meer kanten heeft.

© jvs

maandag 29 september 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 75

Hij en ik aan de wandel langs het strand. Geen diepe gesprekken; die vallen hem wat moeilijk. Mijn schoenen uitgetrokken, mijn voeten in het water, mijn gezicht in de stand van diep geluk; het zand, het water, de wind en de zon – aarde, water, lucht en vuur – alle rijkdom bijeen. En hij aan de waterlijn ook zichtbaar genietend.
Aan onze zijde bewoog een rood ballonnetje – tot één laatste bubbel lucht ineengekrompen – alsof het een visje was dat met twee korte stukjes touw als beentjes of armpjes, op de wind en de golven met ons mee tijgerde. ‘TuS Hollstein’ vormde zijn wit met zwarte oog. Soms bleef het even achter maar steeds haalde het ons weer bij.
Zulke vondsten zijn altijd goed voor gedachten over de bestemming ervan. Waar gaat het heen als het eiland ophoudt? Kiest het dan zee tot aan het volgende eiland? Blijft het liggen of steekt het de watervlakte over naar verre bestemmingen. Nooit krijgt zo’n verhaal een eind.
Op de dammetjes, waar kolonies meeuwen de dienst uitmaakten, wist ons visje de vogels verschrikt een hupje te laten maken. Geen meeuw had behoefte het rode gevaar met een pik van de snavel het zwijgen op te leggen. Sommige dammetjes waren te hoog. Dan bleef ons visje achter. “Kom dan”, riep mijn lief. Of hij floot, waarna het visje op miraculeuze wijze zijn weg vervolgde, de dam overstak, terug naar de golven rolde en met een vaartje achter ons aan hobbelde. Het trouwe dier.
Vanuit tegenovergestelde richting verscheen een vrouw die met ferme pas de wind trotseerde. Zij hing voorover tegen de wind en verzette haar voeten in doelgerichte soldatenpas voorwaarts en nergens anders heen; haar stevige kuiten ontbloot boven wandelschoenen die diepe sporen nalieten in het zand, haar windjack bolde om haar heen. Ze was op weg naar de plek waar wij vandaan kwamen.
TuS Hollstein, die wat achter was gebleven, waren wij heel even vergeten, tot de struise dame zich bukte en iets van het strand opraapte. Terwijl ze zo abrupt tot stilstand was gekomen, zagen wij hoe zij met kracht iets aan het verrichten was wat achter haar brede lichaam plaatsvond. Ze boog diep voorover om iets wat ze ter hoogte van haar navel hield, met kracht aan te pakken. Zette ze nou ook haar tanden nog ergens in? Niet veel later liep ze door.
Op de plek waar zij had gestaan, zagen wij hoe ons visje de laatste adem had uitgeblazen. Wat haar heeft bezield, wij kunnen het slechts bevroeden. Onze TuS, ze had hem doodgeknepen.

© jvs

donderdag 18 september 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 74

Hij en ik, bij het rondje fietsen komen we aan op de plek waar de bosbrand tijdens de paasdagen heeft gewoed. De natuur op de Hoge Veluwe heeft daarna niet stilgestaan. Veel zwart land is opnieuw groen geworden. Deze dennen echter staan zwartgeblakerd in een groepje te fluisteren alsof er nog leven in zit. De bomen met hun gekromde takken – dik en grillig – hebben geen ademhaling meer. Hun voorkomen is raadselachtig. In de zon ziet de verkoolde bast er purper uit, met zilvergrijze randen.
Mijn fiets zet ik aan de kant om hier foto’s van te nemen. Hij blijft staan langs de kant van het fietspad en kijkt mee. Hij heeft ze het eerst gezien en is even onder de indruk als ik. Het is prachtig weer, de dag is in rust, een indian summer is nakend. Het is een kalme plek waar de inspiratie uit elke kier in de grond opstijgt. Hij geniet en vraagt bijna doorlopend of ik mij ook kan verlustigen aan dit stuk natuur.
Terwijl ik voorzichtig tussen de bomen op zoek ben naar het beste licht en de mooiste beeldvulling, stappen meer mensen af en volgen ons voorbeeld. Fiets langs de kant en gewapend met camera afstuiven op de bomen. Daarbij zorgen zij ervoor mijn beelden te respecteren. ‘Zij fotografeert wat af,’ merkt er een op.
‘Mmm,’ mompelt mijn metgezel.
Af en toe moet ik mijn enthousiasme over de vormen en kleuren kwijt. Je kun mij zacht horen kreunen over zoveel schoonheid in het brandhout. Maar ook omdat ik liefst zo lang mogelijk hier wil blijven genieten. Zo kan mijn lief even bijkomen; en ik eigenlijk ook. Even geen andere gedachten; slechts omgeven door pure schoonheid en natuur , een prettige nazomerzon op de huid en een leeggewaaid hoofd. De zorgen zijn voor morgen.
Opnieuw komen er fietsers langs het pad voorbij het groepje, dat inmiddels in uitgebreid tot een stuk of tien, twaalf bomen en drie fotografen. Deze fietsers zijn niet van plan af te stappen. Dat is maar goed ook. Ze zouden ons gezamenlijk tekort doen. Een van die fietsers durft zelfs de magie te doorbreken met een vraag die mij nog steeds bezighoudt: ‘Wat is hier nou eigenlijk de charme van?’
Ach, vraag ik mij af– gevuld met niets – hoe zou ik dat kunnen weten!

© jvs

vrijdag 12 september 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 73

Het is op een vreemde manier druk in het winkelcentrum. De vakantie is om. Maandag neemt het normale leven zijn loop. Ook het zomerse weer heeft besloten de vakantie ten einde te verklaren. Buiten vallen spatjes motregen, binnen is het broeierig warm.
De gasten in het winkelcentrum zijn in de normaalstand en brengen deze keer – een laatste uitje – hun kinderen mee. Alsof het zo is afgesproken, hebben die besloten de vakantieverveling nog even lekker te botvieren op de oren van mijn lief. Waar je ook kijkt, overal bengelen kleintjes aan karretjes, rennen ze langs je heen, laten je tas daarbij zwiepen, trekken onaangekondigd spullen uit rekken en zetten het op een zeuren, eisen en huilen en gillen. Niet een uitgezonderd. Het wordt tijd voor school. De jeugd heeft het gehad met deze zomer.
Voor mijn lief is dit een carnaval van prikkels. De geluids- en bewegingsgolven doen bij hem het laatste restje attentie verdwijnen. Normaal drijft hij, om nog iets te kunnen functioneren, op regelmaat. Nu loopt er naast mij een ontheemde man die niet meer weet hoe bij de auto te komen. Glazig kijkt hij om zich heen. Daarom neem ik het heft in handen en loods hem via de snelste route naar de parkeergarage.
Na betaling, duwt hij de parkeerkaart in mijn handen met hetzelfde gebaar waarmee hij het gewoonlijk in een borstzak steekt. Uit voorzorg houd ik dit uitgangsbewijs in bewaring.
– Het zal mij benieuwen of hij dat straks nog weet, denk ik.
De uitgang is hem een barrière geworden. Met het raampje naar beneden wacht hij op een parkeerbewijs zoals hem dat gewoonlijk bij de ingang wordt verstrekt. Ik zie een lichte paniek ontstaan.
‘Waar moet ik op drukken, wat moet ik doen?’ Zijn vinger ligt al op de noodknop, klaar om assistentie in te roepen van een stem die niets voor hem kan doen.
Als ik hem vertel dat hij mij het paspoort naar buiten in handen heeft gestopt, begrijpt hij er niets van. De automaat bij de slagboom, die smacht naar dat stukje papier, is hem voor even een vreemd apparaat waarmee zonder handleiding niet te werken is. Zijn handelingen probeert mijn lief in gedachten te achterhalen. Dat gaat hem niet lukken. Het zijn zeepbellen geworden die op de wind hun eigen weg zoeken.

© jvs

donderdag 11 september 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 72

Een paar dagen geen instanties en instellingen die met ritselende papieren en dwingende blikken proberen van de zieke een gezonde te maken – waarbij zij overigens geen gebruik maken medische behandelingen maar van bezweringen en formuleringen. Realiteit schijnt zeer betrekkelijk te zijn. Ik zoek naar zuurstof en hij gaat mee.
Op de dijk in Oostende dringt de kalmte bij ons binnen. Even niets. Ja, water, zand, licht en lucht. De volgorde is daarbij niet zo belangrijk. Het gaat erom dat deze atmosfeer ons zandstraalt, waardoor het gruis van het grijs wordt afgevoerd. Het doet goed.
Ons tegemoetkomend op diezelfde dijk, een half vergane heer die een rolstoel voortduwt met daarin zijn vergane glorie gekleed in een stralend witte jas met hoed; een veeg lipstick opvallend onder de rand vandaan. Het is het toonbeeld van liefde, zoals ze daar samen over het toneel rollen. Mijn bewondering gaat uit naar de gepassioneerdheid waarmee de man misschien al jaren zijn dame onderhoudt. Zij is knap, ondanks haar leeftijd, die ik ergens in de tachtig schat.
Dan vallen mijn lief en ik in haar blikveld. Haar houding verandert. Er komt een verbeten trek rond de lippenstift. Haar hand kromt zich tot iets wat op een vuist moet lijken. En die beweegt ze woedend omhoog terwijl zij iets onverstaanbaars fulmineert in onze richting. Al haar frustratie over zittend leven stort ze uit over mijn lief en mij. Wij zijn schuldig aan haar leed omdat wij lopen, omdat wij haar leeftijd nog niet hebben bereikt, omdat haar wereld zoveel kleiner is geworden.
Arme vrouw. Zij kan het niet helpen dat ze zo kwetsbaar is geworden. Daar helpt geen enkele bezwering tegen, wat instanties er ook van vinden.
En ach, zij moest eens weten.

© jvs

vrijdag 5 september 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 71

Bij het fornuis is hij bezig, zijn bovenlichaam een en al beweging. Voor hem staat een ketel stoom af te geven en daarnaast, op een andere pit, heeft melk in een steelpan zin in bellenblazen. Hij reageert door aan knoppen te draaien, pannen te verschuiven  en opnieuw aan knoppen te draaien. Er komt nogal wat kijken bij het zetten van een bak koffie en een pot thee. In zijn hoofd heeft hij de kopjes al klaar gezet, het thee-ei gevuld en het verdere ritueel gestalte gegeven. En dat terwijl plannen niet zijn sterkste kant is. Nu beide vloeistoffen tegelijk hebben besloten hun kookpunt te bereiken, wordt het hem wat te veel van het goede.
Dan kom ik ook nog eens de keuken in lopen. Niet dat ik iets zeg maar hij voelt bij wijze van spreken mijn hete adem in zijn nek. Nu schiet hij helemaal in de stress. ‘Stoor me niet! Ik ben nu niet meer aanspreekbaar,’ bijt hij me toe.
Het is meer een waarschuwing. Toch moet ik verrekte goed uitkijken dat ik niet al te veel zeg. Voor je het weet heeft de melk het vlammetje eronder gedoofd, blijft het gas ongeoorloofd uit de pit stromen en is het fornuis van kleur verschoten.
Een beetje timide sta ik stil en kijk naar de beweging bij het fornuis. Mijn lachen kan ik niet inhouden.
Tegen het gebod in zeg ik: ‘Ben je ook niet meer aankusbaar?’
Die opmerking redt hem uit zijn benarde positie. Alles is weer onder controle. Wij houden elkaar even stevig vast. Dat helpt de wanhoop weg te werken.

© jvs

zaterdag 30 augustus 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 70

Hij viel in mijn oog op het moment dat hij tussen twee geparkeerde auto’s zijn colbertjasje uittrok en keurig gevouwen op een achterbank neervlijde; zo’n man die nog mee komt. Van bovenuit mijn wereld van verderfelijke chaos had ik het complete overzicht. Een middenklasser tussen twee zilvergrijze middenklassers. Een onschuldig mens met een gewichtige zaak voor de boeg. Wat een genot om te zien hoe de mens zich gedraagt volgens de ongeschreven regels die de norm voorstellen, hoe de plooi de plooi blijft en hoe de standaard stut is bij het maken van een aanvaardbare, doch alle het overige verhullende identiteit die façade is.
Toch bleek ook deze mens voor alles gewoon mens toen hij op een steelse manier links en rechts keek. Zijn lichaamshouding veranderde van een fiere vent in een schijterig jong kereltje dat nog even snel zijn piepie moet doen. Tegen zijn eigen portier? Dat kon ik niet zien. Misschien spetterde hij de boel wel meteen op de grond en kon hij straks zijn broekspijpen gaan reinigen. In elk geval was zijn aandacht nu bij de hoge nood; zijn ellebogen wezen naar buiten, zijn hoofd hing omlaag. Onmiskenbaar de houding van een pissende.
Twee tellen later was het alweer gedaan. De achterkant van zijn broek trok hij nog iets op. Zijn rechterheup ging mee omhoog. Daarna sprak zijn geweten. Bedekt keek hij alle kanten op om te zien of niet iemand hem had gespot bij dit moment van kreukbaarheid. Vervolgens hupte hij zomaar wat achteloos op en neer en kwam springend tussen de middenklassers vandaan. De grote gedaantewisseling had zich voltrokken. Ineens bleek hij een hardloopbroekje om een sexy kontje te dragen. Wat kan een mens zich vergissen.
Of hij een aantrekkelijk gezicht had, weet ik niet. Hij was vergeten naar boven te kijken.

© jvs

woensdag 13 augustus 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 69

Deze morgen moest ik denken aan Holi-Phagwa, het hindoeïstisch nieuwjaarfeest waarvoor hij en ik samen met onze kinderen waren uitgenodigd. Dat was jaren geleden; het heeft bij ons een diepe indruk achtergelaten. Ik was er al vaker geweest om er mijn werk te doen: foto’s maken en er een artikeltje over schrijven. Deze keer was ik niet van plan te gaan. Hij was die dag jarig en wij wilden uit eten.
‘Dan kom je toch daarna!’, werd mij te verstaan gegeven. ‘En neem je man en kinderen mee. Dan vier je zijn verjaardag bij ons.’
Wat een beetje aandringen al niet vermag. Meer dan welkom waren we. Gewillig lieten we ons volgens de traditie bekogelen met felgekleurde poeders en geurige parfums. Dat ging vergezeld van de wens ‘Subh Holi’. Als volleerd Holi-Phagwa-vierders wensten wij iedereen die het wilde horen ‘Subh Holi’ terug. De poeders zaten in alle plooien van onze kleding en ons gezicht was voor de rest van de avond rood en geel. Neus en oren zaten vol. Dat schept een band.
Van zelf drankjes betalen was geen sprake, we waren voor de rest van de avond vrij gemaakt; het voedsel dat rijkelijk doorkwam, smaakte geweldig en we genoten van de muziek. Hij kreeg zelfs een prachtige verjaarstoespraak. Zoiets vergeet je niet snel.

Deze morgen hoorde ik hem scharrelen in de slaapkamer. Er klinkt altijd gerucht en geruis en altijd valt er wel iets. Het is een ritueel waar je niet tussen moet komen. De ochtend is er om traag bij te komen van de nacht. Wassen, aankleden, ontbijt; het kost hem energie. De juiste volgorde is de beste. Met geschuif in orde dreigt een dag meteen in wanorde om te slaan.
Ik vond hem op de rand van het bed met en bergje mentholpoeder op een voet. Ernaast lag net zo’n hoopje. Kennelijk had hij al een poosje zo gezeten. Hij keek er naar, stil en onderzoekend. Waarschijnlijk om er zeker van te zijn dat de poeder niet meer in het busje zat, en te overdenken hoe het bergje geslecht diende te worden. Dat busje hield hij leeg in zijn hand. Hij meende dat de hele dop eraf moest om het strooidopje bereiken. Het was hem ontgaan dat deze samen gaan en de strooidop achter een klepje verstopt zit, dat je eenvoudig met je duim kunt bedienen. Hij had de grootste opening laten ontstaan, die je maar kon bedenken. Strooien werd gooien.
Ik wenste hem ‘Subh Holi’.

© jvs

vrijdag 1 augustus 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 68

Het is officieel: ik ben een slecht mens zonder karakter, die de kantjes ervan af loopt en geen hand uitsteekt voor oude dametjes in nood. Nee, erger nog, ik ben in haar nabijheid ontploft en draag nu schuld voor alles wat zal volgen. Verzachtende omstandigheid: ik ben mens. Er bestaat zo’n spreekwoord over een kruik en een barst en langdurige onderdompeling. Zoiets.
Ik moet denken aan de schilderijen die ik lang geleden zag. Ogenschijnlijk vlekkerig en abstract, bleken zij vanuit een bepaald standpunt gezien hun ware identiteit te onthullen. De anamorfose verheelt de werkelijkheid. De onderzoekende mens vindt het complete beeld en wordt getroffen door wat hij ziet. Hij raakt in verwarring, denkt na en stelt zichzelf de vraag hoe deze zinsbegoocheling mogelijk is en hoe het komt dat hij zich door het oppervlak heeft laten bedotten. Wie niet zoekt, mist de essentie en doet zichzelf en het object te kort; hij blijft onwetend achter, halsstarrig blijven herhalen dat de kunstenaar een idioot is.
Die verdomde perceptie die gepaard gaat met snel oordeel en vooroordeel, ongefundeerd, zonder nader onderzoek, schrijft mij bij op de lijst van mensen die op geen genade meer hoeven te rekenen.
Als slecht mens, en wellicht ook idioot, voel ik me vereerd. Het moet uitermate belangrijk voor de jury zijn geweest beraadslagingen te hebben en oordelen te vellen over zo’n verachtelijk persoon als ik. Het is buitenproportioneel; maar dat terzijde. De jury heeft de juiste positie om de anamorfose te ontrafelen niet gezocht. Nu ik in ongenade ben gevallen en verbannen naar het land van sukkels en losers, draag ik mijn titel met trots.

© jvs

zondag 20 juli 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 67

Herinneringen doen hem goed. Weggedoken in een werkelijkheid geconstrueerd door simpele verwoesting, is het oude nu ver af. De herinnering komt enorm levend bij hem binnen wanneer je de juiste trekker overhaalt. Foto’s uit de oude doos brengen hem een verleden en daarmee een identiteit terug.
Samen liepen we door het Apeldoorns museumgebouw waar heden, verleden, kunst, informatie, en allerhande cultuur en voorziening bijeen zijn gebracht. Hier vond hij een trap waarop een waterval was geprojecteerd. Het water gutste er als het ware van af. Een klaterend geluid begeleidde het beeld. Doeltreffend in zijn eenvoud.
Hij ging erop af en voelde zich weer bij de Loenense waterval, waar hij, jong nog, met zijn kleine broertje speelde. Met hun voeten gespreid hielpen zij het water verder naar beneden te stromen of beletten het in zijn loop. Onvermoeibaar. Het plezier van een kind, onschuldig aan wat hem nog te gebeuren stond. Ook nu liep hij de trap op en af, de voeten gespreid als om het water tegen te houden. Ik begon te filmen. Voor hem. Om de herinnering levend te houden. Hij was in Loenen, blij als de jongen van toen. Het deed hem zichtbaar veel.
Al zou hij het graag doen, zijn herinnering kan hij niet meer delen met wie hij het zou willen delen. De afvoer daarheen is verstopt. De stroom is afgesneden. Hem rest het verhaal van het kleine geluk dat hij daar vond in het broederlijk samenspel.

En passant las ik de tekst bij de trap. Ik was niet eens verbaast over wat er stond. Het was een natuurlijk gegeven dat hier de Loenense waterval werd verbeeld. Onbetaalbaar fortuin.

© jvs

vrijdag 11 juli 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 66

Hoe vaak komt het niet voor dat twee mensen dezelfde taal spreken en desondanks elkaar niet kunnen verstaan. Wat een groot ongemak is dat. Je spreekt met dezelfde woorden en de bedoeling van die woorden blijven steken in andermans perceptie en beschuldiging. Hoe blij kun je zijn als het tegenovergestelde op je af komt. Twee mensen die elkaars taal niet verstaan en desondanks elkaar toch begrijpen.
Hij en ik verbleven in zo’n enorme supermarkt die je kunt aantreffen aan de rand van de stad, ergens in een land waar de Nederlandse taal niet frequent wordt gebezigd. Het was zo’n winkel met enorm lange rijen producten. Planken ingericht volgens de aldaar geldende logica, gevuld met allerhande waar in voor ons vreemde verpakkingen bedrukt met onbekende logo’s en vooral anderstalige tekst.
Natuurlijk kwamen we er wel uit. Wij zijn niet helemaal blond. Het was meer de maatvoering van de winkel die ons zorgen baarde. Hoe vinden hij en ik onze weg door dit doolhof van voedingsmiddelen en aanverwanten. Hij was al snel de weg kwijt. Indrukken verzamelen en die omslaan naar een logisch verhaal is hem ingewikkeld. De boodschappenlijst bood hem daardoor geen houvast meer. Hij wilde meedenken maar het gevoel voor wat nodig was – welk lekker biertje hij zou willen drinken, welke maaltijden hem door de komende paar dagen zouden slepen, de ingrediënten die daarbij nodig waren – was hij kwijt. Hij hield het bij het beheer van de boodschappenkar en riep mij geregeld om bijstand te verlenen bij het ordenen van zijn gedachten. Ondertussen deed ik mijn best uit te zoeken wat nodig was en de vindplaats ervan op te slaan in mijn geheugen. Het benodigde legde ik in de kar die hij sinds de groenteafdeling bij zich hield.
Bij het bier aangekomen raakte hij weer helemaal in zijn element. Hij tilde flesjes uit het schap, probeerde te lezen wat het etiket vertelde en voeg ten slotte aan mij de tekst toch maar even voor te lezen. Zijn bril zat ergens in een jasje dat hij niet bij zich had.
Terwijl hij en ik zo voortvarend aan het shoppen waren, kwam er een oudere dame het gangpad in gesloft. Ze zag eruit alsof zij zojuist de laatste etappe van de Nijmeegse Vierdaagse had uitgelopen. Alleen de bos gladiolen ontbrak eraan. Ze hijgde en pufte. Met haar laatste krachtsinspanning rukte zij de kar uit zijn handen en controleerde de inhoud.
‘U hebt mijn boodschappen,’ zei ze in een onverstaanbaar dialect in een andere taal. Met gebaren ging ze verder: ze was de hele winkel al drie keer door gelopen, ze was al zo moe, maar om het misverstand kon ze vreselijk lachen.
‘Nu moet ik onze kar gaan zoeken,’ zei hij. ‘Hoe vind ik die nu weer.’
Zij duwde hem tegen zijn schouder en gebaarde hoofdschuddend zoiets als ‘een vergissing is menselijk’ en meer van dat fraais. Nogmaals gebaarde ze zich de uitputting nabij; nogmaals zag ze de grap van het hele geval in, nogmaals was een vergissing menselijk.

Hem heb ik bij het zoeken naar de kar, de armen vol van boodschappen, in de gaten gehouden. Je kunt nooit weten of hij weer op drift raakt. De vrouw bleef nog lang doorgaan met gniffelen, was bij de kassa nog hoorbaar. Het zat wel goed met haar. Zij, hij en ik verstonden de universele vergissing. Ons persoonlijk drama bleef beperkt tot het vergeten van slechts een item op de lijst.

© jvs

maandag 16 juni 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 65

Hoe een zorgsituatie je kan verscheuren als alle problemen op de mat van de mantelzorger komen te liggen wanneer zij de rol van ‘coach’ heeft gekregen voor de patiënt, die ook nog eens partner is; wanneer de partner een ander is dan voorheen, een ander mens in het bekende lichaam, die nauwelijks beslissingen kan nemen maar eruit ziet alsof hij nog prima voor zichzelf kan denken, terwijl je zelf je het hoofd breekt over samen opnieuw leren leven, je rouw probeert te verwerken, onverwachte problemen het hoofd biedt, financieel de eindjes aan elkaar knoopt, niet naar je lichaam luistert omdat je door moet ook al is dat met een minimum aan morele support. Hoe je als mantelzorger dan ook onwetende buitenstaanders wel eens moet vragen rekening te houden met die situatie, omdat een verstoring van het normale ritme problemen geeft: voor de patiënt, in de relatie tot elkaar, maar ook in de draagkracht van de zorgende partner. Van die laatste wordt toch verwacht dat ze het volhoudt.

Ik wilde hier op snerende toon iets schrijven; omdat uit de diepere lagen, de krochten van het leven, de broer een oordeel velde over verantwoordelijkheden en mijn vraag om wat rekening te houden met de onmogelijkheden resoluut van zijn bord af veegde.
Ik vroeg mij af hoe het mogelijk is dat ook intelligente mensen soms analytisch vermogen missen en zich een mening kunnen vormen zonder kennis der materie, zonder de juiste vragen te stellen en zonder inzicht in oorzaak en gevolg. Daar bovenop komt nog: welke rol speelt vooringenomenheid, vooroordeel? Daar kom je niet uit.
Van wie was de uitspraak ‘een oordeel laat zich weerleggen, een vooroordeel nooit’? Daarmee is het dilemma in volle omvang omschreven. Je komt er niet uit. Die snerende toon blijft dan maar liever achterwege.
Na een paar dagen disbalans, zoeken naar overleg met een patiënt die geen dag vooruit kan kijken (een gesprek, laat staan een luisterend oor, zit er bij hem niet in) heb ik mijn taak als coach weer opgevat. Er is een nieuw setje regels opgesteld. De coach weet dat het noodzakelijk is en is zich ervan bewust dat het gedrag van de broer exemplarisch is en in soortgelijke situaties veel vaker voorkomt, zo vermelden diverse professionele bronnen. Jammer, maar de verantwoordelijkheid voor die houding leg ik naast me neer.

© jvs

donderdag 12 juni 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 64

Onderaan de dijk heb ik plaatsgenomen op een gemetseld muurtje dat uitzicht biedt op het water. Schepen varen er traag voorbij. Het water dat zij laten rimpelen spat in geuren uiteen op de keien langs de kant. Ik ruik ze. Het ruikt naar zomerse loomheid. Dat versterkt de eenzaamheid die ik hier zoek. Het geeft me kracht om verder te gaan. Niemand moet mij hier nu komen storen.
Boven me, op de dijk, hoor ik stemmen. Een vader, twee kinderen. De oudste jongen, een jaar of negen, zo schat ik, komt naar beneden gelopen en gaat vlak naast me zitten. Even denk ik: “Getver, het is gedaan met mijn rust.”
Maar deze jongen is anders. Hij kijkt naar de schepen en verzucht: “O, wat mooi.” Met alle vezels van zijn lichaam beleeft hij de schoonheid van het vaartuig dat bezig is ons te passeren. “O, wat mooi.” klinkt het nog eens. Hij is intens gelukkig met dit moment van genot. “Papa, Theo, kom hier, kom kijken, het is zo mooi. O, wat mooi. Het is zo mooi.” Ontelbare malen herhaalt hij zijn zinnen in andere volgorden. De urgentie die hij erin legt, wordt steeds groter. Papa en Theo blijven boven aan de dijk staan happen in een ijsje. Het lijkt wel alsof de vreugde, het geluk van het kind langs hen heen gaat. Er komt geen beweging in het tweetal. Hun ontgaat dit volledig.
“O, zo mooi,” zegt hij nog eens. Zijn stem klinkt al zwakker. Hij kijkt mij aan alsof de twijfel heeft toegeslagen, alsof hij niet zeker meer weet of wat hij ziet, wel werkelijk de moeite waard is. Zoekt hij naar bondgenootschap?
“Ja, joh,” zeg ik en ik knik. Mijn wangen voelen ineens warm en nat. Vanaf mijn onderste ooglid is traag een stroompje gaan vloeien nu ik zijn diepste verwarring doorvoel.
Papa en Theo vertrekken en roepen hem mee te komen. “Ah, zo gauw al! Er zijn pas twee schepen voorbij gekomen. Het is zo mooi.” Toch gaat hij gehoorzaam mee.
Zijn teleurstelling snijdt dwars door me heen. De arme jongen, die zijn blijdschap wil delen omdat hij zijn geluk even niet op kan, zal zich nog heel vaak in de steek gelaten voelen omdat wat hij wil delen niet wordt aangenomen. En hij zal zich telkens vertwijfeld afvragen of hij zich heeft vergist. Wat een eenzaamheid.
De vader wil ik toeschreeuwen: “Man, kijk nou eens naar je jongen, zie je niet hoe wanhopig hij bezig is van zijn geluk ook jouw geluk te maken? Kom naar beneden en zet je oogkleppen af.”
Maar ja, waar bemoei ik me mee.

© jvs

maandag 9 juni 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 63

Ze mag dan oud zijn, ze probeert alles uit het leven te persen wat er nog voor haar in zit. Hoewel haar mogelijkheden daartoe steeds beperkter worden, kijkt ze nog om zich heen en kan ze zich blijven verheugen op een fijne voetbalwedstrijd op tv.
De dood houdt zij op afstand. Niet dat ze er bang voor is. Ze gaat nog graag en poosje mee. Daarom laaft ze zich ook aan de herinnering. Voor de gelieven die haar ontvielen, heeft zij in de donkerste hoek van haar kamer een klein altaar opgericht. Daar staan de foto’s, daar staat een urn en daar liggen de relikwieën de vergankelijkheid te bevestigen. Het zijn haar doden. Ze heeft er een oplaadbaar elektrisch waxinelichtje bij gezet. Na een dag is het leeg en wordt het vervangen voor een vers exemplaar. In memoriam voor een leven.
Vandaag heeft ze er iets meer moeite mee. De eetlust is tijdelijk verdwenen, haar krachten zijn haar lichaam ontglipt. Met haar strijdlustig karakter neem ze daar geen genoegen mee. De magere bouillon die haar wordt gebracht, neemt ze met smaak tot zich. Tussen elke hap door kijkt ze even naar buiten om te zien hoe de bomen dit jaar opnieuw zijn gegroeid, om te zien hoe de vogels druk aan het werk zijn om een tweede leg te kunnen aanvangen.
Dan valt haar oog op haar altaartje. Alles staat er pico bello bij. Alleen het lampje heeft alle kracht verloren en is gedoofd. De donkerste hoek van haar kamer is alle betekenis kwijt. Zij schudt misnoegd haar hoofd voor ze begint te spreken. De kwestie dient op de kortst mogelijke termijn opgelost. Ze wijst naar het lampje, ze wijst naar de lader, ze wijst nog eens naar het lampje en kijkt mij priemend aan: “Zeg, wil jij dat lampje even vervangen? Anders heb ik daar zo’n dooie hoek.”

© jvs

zondag 1 juni 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 62

Toen ik de keuken binnenkwam, merkte ik aan alles hoe de vlag erbij stond. Hij wilde een gesprek beginnen en legde mij direct grommend het zwijgen op toen ik wilde antwoorden. Hij moest even nadenken. Twee keer opende en sloot hij de koelkast voor hij wist waarmee hij bezig was. Zijn armen maaiden koersloos in het rond. Een vinger gleed snel langs mijn rug terwijl ik langs hem liep. Een gesprek zat er allang niet meer in.
In al zijn beweeglijkheid lanceerde hij met zijn elleboog het mes van het aanrecht, waarmee hij tomaten had staan snijden. Tomatenprut spetterde alle kanten op. Hij keek het na terwijl hij het mes al opraapte. Die actie bracht een pannendeksel uit balans, zodat die ook nog maar even van het aanrecht zwiepte. Een hels kabaal.
Een gewaarschuwd mens telt voor twee maar hem tot meer rust manen, maakt hem overmoedig. “Het gaat allemaal best,” zei hij steeds als ik hem probeerde bij te brengen dat hij bezig was kleine stukjes van zijn karige energievoorraad af te knabbelen.
Later die dag ging het nog een paar keer mis. Er vloog een boek van tafel, een mobiele telefoon kletterde tegen de grond en op het laatst ging er een koffiekop aan diggelen. “Dat komt omdat de dingen niet op hun plek liggen,” verklaarde hij. Dat die ‘dingen’ op een heel andere plek lagen, ver weg van de koffiekop, maakte hem niet uit – hij vond dat het er had moeten liggen; daar anticipeerde hij op en daarom brak de kop. Voor de breuk kon hij eenvoudigweg niet zelf verantwoordelijk zijn. Het lag ver buiten hem.
“Smoesjes”, zei ik gekscherend. De realiteit is te ingewikkeld. Hem bewust maken van het verband tussen vallende spullen, uitputting en apraxie is nooit aan hem besteed. Onbegonnen werk. Trouwens, die vallende messen, volgespetterde vloeren en kastdeurtjes, gedeukte pannendeksels en koffiekopjes in scherven kunnen mij eigenlijk geen moer schelen.

© jvs

donderdag 22 mei 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 61

In het gras waren de paardenbloemen tot pluizenbollen uitgegroeid. Eindelijk volwassen genoeg om aan de verspreiding van het zaad te beginnen. Hij plukte er een om mij zijn liefde te betuigen. Of ik maar even wilde blazen. Zachtjes blies ik de pluizen zonder uitzondering tegen zijn trui en broek. We schaterden er samen om. Het was ook zo’n mooi gezicht, al die pluisjes die zich volmaakt tevreden tegen hem aan vlijden om tegen de achtergrond van de donkere stof al hun facetten te tonen; pluizige steeltjes met donzige baleinen bovenaan, het gewichtige zaad eronder.
Ik besloot op zijn aanwijzing foto’s te maken van vliegende pluizen, ook al had het toestel dat ik bij me droeg een hekel aan de termen sluitertijd en diafragma. De middelen waren toereikend genoeg en bovendien kon hij me assisteren. Ik vroeg hem op mijn signaal voorzichtig te blazen. Op het moment dat ik met het toestel in de aanslag ‘ja’ had gezegd, stak vanuit zijn mond een orkaan op van ongekende proporties. De pluizen waren al ver voorbij mijn lens voor ik er ook maar een in vlucht op de korrel had kunnen nemen. Ik kon ‘stop’ roepen wat ik wilde, er was geen houden meer aan. Voordat ik dat woord had kunnen uitspreken, had hij al drie keer een nieuwe storm laten jakkeren boven de bol, die nu kaal en ellendig tussen zijn vingers geklemd zat.
Een nieuwe poging, deze keer met de duidelijke instructie dat ‘stop’ ook echt ‘stop’ betekende, en ‘zachtjes blazen’ ‘zachtjes blazen’, ving het spel opnieuw aan. Desondanks wilde de wind niet gaan liggen, zijn kracht steeg soms zelfs nog in de beaufort-tabellen. De steeltjes zwiepten en knakten. Zijn gehoororganen merkten mijn aanwijzingen niet op. Hem moest je niet storen, hij nam zijn werk serieus; waaien was voor hem waaien. Mijn trui en broek raakten bezaaid met paardenzaad. De ene bol na de andere moest eraan geloven.
Zo moest het maar genoeg zijn, besloot ik op zeker moment. De werking van de wind in combinatie met paardenpluis en fotografie kreeg ik bij hem niet meer voor het voetlicht. Ik kreeg er de slappe lach van. Hij keek me wat onzeker aan, vroeg zich af waar mijn vrolijkheid zo plotseling vandaan kwam. Was hij het voorwerp van mijn spot?
‘Het is de situatie’, verduidelijkte ik. ‘Een andere keer, met een andere camera, gaan we het weer proberen.’ Van al die windvlagen was ik er inmiddels wat pluizig uit gaan zien. Daar kreeg hij dan weer de slappe lach van. Andermaal liet hij een stevige storm opkomen. Maar mij blies hij niet zomaar leeg.

Je zult je afvragen wat er van de foto’s is gekomen. Die zijn goed geworden. Niet de opnamen die ik in het hoofd had, maar toch waardevolle beelden; al was het om de prachtige herinnering aan dit moment.

© jvs

woensdag 7 mei 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 60

Hij en ik, wij hadden zojuist de fiets aan de kant gezet om ons boterhammetje te eten op het bankje langs de Geer. Aan de overkant spoedden auto’s zich over de Lange Meentweg en wat recreanten fietsten de brug over op zoek naar een volgend knooppunt. De zon was koesterend.
“Zo, aan het vissen?”
Een grijze, sterk gerimpelde man had zijn fiets midden op de brug stilgezet. Als een jonge god balanceerde hij op zijn zadel, de ronde neuzen van zijn schoenen aan de grond, zijn handen los van het stuur, alsof hij rechtstreeks uit het circus was gekomen. Zijn tempo was dat van een boer die van zijn rust genoot. Zijn zondagse pak was smetteloos oud, als hijzelf.
“Ja hoor,” zei ik, olijk geworden in reactie op het buitenmodel gedrag dat mijn gezelschap vandaag vertoonde. Die had moeite een aanval van slaap te ontwijken.
“We vissen boterhammen.”
“Wablief?”
“Boterhammen. We vissen boterhammen.” Hij had erom gevraagd.
“Lekker weer, niet?” Kwam er weer.
“Heerlijk. Da’s genieten hè.”
Dat moest hij beamen. En er kwam meer. “Ze zeggen dat het wel twee maanden warm blijft.”
Ik herinnerde me het verhaal over El Ninjo, dat deze week dan toch de krant had gehaald. Voorzichtig wezen de voortekenen op droogte. “Als het ook maar af en toe gaat regenen. Anders klagen de boeren straks weer over gebrek aan water... om hun fruit.”
“Water? Hebbu dorst soms?”
De helft van mijn betoog was weggedreven op de Geer. Het maakte niet uit. De oude op de brug mompelde nog wat en stapte maar weer eens op. Tien meter achter ons hoorde ik hem alweer praten tegen andere fietsers op knooppuntenjacht. Die gasten hadden geen zin in hem en zwaaiden hun lastpak uit nadat zij hem over de brug hadden gedirigeerd, waar hij terug fietste van waar hij kwam, de Lange Meentweg op. Zij volgden hem traag op gepaste afstand.
Mijn gezelschap, hij keek de oude na hoe hij als een pijl uit een boog over het fietspad schoot. “Zo, die heeft conditie,” Sprak hij met ontzag. Meende ik bij hem enige jaloezie te bespeuren? Toch een jonge god, dacht ik. Mijn gezelschap zag het praktisch: “Misschien is dit wel zijn bankje. Hij had natuurlijk hier willen zitten. Dan hebben wij nu zijn dag verpest.”
Wat fijn te horen dat hem zo’n detail vandaag niet is ontgaan. En wat goed gevoel gaf het, gewoon eens een keer de dag van een ander te mogen verpesten.


© jvs

woensdag 30 april 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 59

In onze huiskamer is vanmorgen opnieuw een moord gepleegd. De vierde binnen drie dagen, als ik goed heb geteld. En hij kijkt ernaar, onbewogen, zoals hij onbewogen kijkt wanneer hij zijn bril terugvindt op zijn hoofd of een glas versgeperste sinaasappelsap in het kastje ziet staan naast de glazen die schoongewassen op vulling wachten. Ik hoor ijselijke kreten. De bloedspatten vliegen in het rond. De messen zijn duidelijk geslepen.
Vanaf de drempel bekijk ik de scène en loop vervolgens schouderophalend naar de keukentafel, waarop een kop thee staat te dampen. Vanaf die plek heb ik hem goed in het vizier. Mijn terugtrekkende beweging merkt hij niet op, verdiept als hij is in wat hij ziet. Zijn hoofd rust zwaar tegen de rugleuning van zijn stoel, zijn hand op de afstandsbediening. Even later zie ik hoe twee ogen vechten tegen neerslaande oogleden. Wie het wint, maakt niet uit. Het wapengekletter zal nu wel snel zwijgen, bedenk ik opgelucht.
Later vraag ik hem: ‘Hoeveel moorden zijn er vandaag gepleegd?’
Even kijkt hij me aan alsof ik een paar borrels te veel op heb. Dan dringt de vraag tot hem door. Zijn antwoord klinkt luchtig: ‘Het was geen moord, hoor.’
‘En al dat gegil in doodsnood dan? En dat monsterlijk gebrul?’
‘Nee, jij hoorde daarnet hoe de complete wereldbevolking werd uitgeroeid.’
Tsjonge, denk ik, en dan is de week nog maar net begonnen.

© jvs

zondag 27 april 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 58

Met het verdwijnen van het aantal mogelijkheden, het bij hem ontdekken van steeds meer beperkingen, is de afgunst verdwenen. Het hoeft allemaal niet zo nodig perfect, want volmaakter dan dit wordt het niet. Er mogen best wat brokjes van af vallen. Wat zou je streven naar hoogwaardig bestaan. Die ene mooie reis, die nog duurdere auto, die glimmende meubels zijn geen doel op zich. Ze zijn, als middel om een plek aan het firmament te krijgen, uiteindelijk niet erg veel waard wanneer je ze ruilt tegen de fantoom die status blijkt te zijn. Aanvaarding biedt mij meer. Het leven hebben – het leven zien – is van zo’n onschatbare betekenis, dat alle rijkdom daarbij in het niets zinkt.
Ik zie hoe de mensen om mij heen zich steeds weer met hun dromen en hun wensen, hun bezit en hun carrière wagen op het slagveld van de maatschappelijke ladder en hun successen breed etaleren. Een nieuwe stip op de horizon bepaalt hun gang. Het is niet genoeg gewoon mens te zijn en op de bodem te staan. Er moet gestreefd, er moeten doelen bereikt ten koste van offers die zij zonder onnadenkend afstaan. Ik bezie hun wapenfeiten, blij niet in hun schoenen te staan, blij mij niet te hoeven begeven in die jammerlijke ratrace die uiteindelijk, net als ikzelf, ooit naakt en bezitloos eindigt in een graf op een tochtig kerkhof. Dat is wel zo rustig en efficiënt. Sneu genoeg moeten zij voort hun bestaan te bewijzen. Angst geeft slecht advies. Mijn deernis kent grenzen, maar het zien van zoveel gekte blijft meelijwekkend.

© jvs

dinsdag 15 april 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 57

Waar zij het gore lef vandaan haalde. In een ogenblik van onoplettendheid wist zij – terwijl hij in de volle tram aanstalten maakte om naast mij te gaan zitten – onder zijn arm door te schieten en hem opzij te duwen, om de zitplaats op hem te veroveren en van mij een tijger te maken. Triomfantelijk keek ze me aan met haar dooie vissenogen. Dat had ze even lekker voorelkaar. Mij zette ze klem tussen het raam en haar dikke dijen.
‘Zeg,’ begon ik, ‘hij wil hier gaan zitten.’
Ze voelde zich aangevallen maar had besloten de rit op deze plek uit te zitten. Haar tas had ze tussen haar benen geplant en haar armen over elkaar geslagen, ontoegankelijkheid kwekend. Ze schraapte haar keel en zette net iets te luid in: ‘Ja hoor es, ik wil óók zitten.’ Haar stem sloeg van schrik een beetje over. Waar ze het gore lef vandaan haalde.

Al te gemakkelijk laat hij zich in allerlei situaties opzij schuiven. Ingesleten beleefdheid versterkt door de afgebrokkelde weerbaarheid die je eerder zou verwachten bij een zieke kat of een uitgehongerde zwerver. Nu was hij moe en kwam niet meer uit zijn woorden. Hij zou haar weg laten lopen met haar winst. Maar ik had niet voor niets als vooruitgeschoven post twee vrije zitplaatsen opgezocht. Een om mijn wankele enkels rust te geven en een voor hem. Dan kon hij even zijn vermoeide benen strekken en leeg voor zich uit staren, zonder bij het rijden voortdurend op zoek te moeten naar balans; wat hem verder zou belasten.
Dat die dikke dooie vis uit het niets kwam en hem een zet gaf, was een onvergefelijke fout. De tijger in mij sloop, nee sprong, tevoorschijn. Met een paar raak gekozen woorden blies ik haar omver. Het volume van mijn stem had de kracht aangenomen van een orkaan. ‘En nou opgelazerd,’ eindigde de storm.
Woordloos droop ze af; het sardientje. Ondertussen zag ik ogen, ogen, ogen. ‘Ja, ja,’ dacht ik, ‘durf er iets van te zeggen en ik ga nog harder waaien. De tijger is nu toch los. Als hij zijn plek maar heeft.’

© jvs

donderdag 10 april 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 56

In een andere tijd, toen hij sportief nog de wereld bedwong met hardloopschoenen aan zijn voeten, was hem bijhouden een bij voorbaat ongelijke strijd. Alsof de slak het tegen de haas moest opnemen in en race over het veld. Voor iedere stap die hij in wandeltempo zette, zette ik er twee en wanneer wij samen fietsten, riep ik als ik nog enigszins bij adem was, om een iets lager tempo. Heuvelopwaarts nam hij een voorsprong en wachtte bovenaan tot ik hem had bereikt, en reed vervolgens weer van mij weg, mij geen adempauze latend.
Nog altijd is de strijd ongelijk. Alleen nu ben ik het eerste boven en zoekt hij mijn brede rug op om zich achter te verschuilen bij het kleinste zuchtje tegenwind.

Vanuit mijn keukenraam op de eerste verdieping zag ik hem weer aan komen fietsen. Alsof een onzichtbare hand hem tegenhield, zo trapte hij zijn tweewieler voort zonder ogenschijnlijk een meter op te schieten. Zijn bovenlichaam gebogen tegen een wind die er niet was. Zijn blik was leeg, zijn ogen volgden het tegelpatroon op de grond, dat door de beweging bij hem binnenkwam als een wazig bewegende eenheid die hem van de wijs probeerde te maken.
Ik stond aan de grond genageld te kijken. De vloer onder mijn voeten daalde en paar centimeter, althans zo voelde de steek in mijn maag; een lift die snel naar beneden wil – of omhoog.
Wat kan Machteloosheid toch arrogant zijn. Geen enkele poot uitsteken om maar een enkel instrument aan te reiken dat zou kunnen helpen de kracht terug te brengen waar het ooit is geweest: in het lichaam van deze eens zo vitale man.

© jvs

woensdag 26 maart 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 55

“Wow, helemaal te gek, man”, stond bovenaan op de voorpagina van het tweede katern van mijn dagblad. Daarmee greep de krant terug naar popmuziek aan het eind van de jaren zestig, toen de inktdia’s geprojecteerd tegen de achtergrond nog zorgden voor een geestverruimend effect. Voor het overige was de pagina gevuld met optical art; zwarte en witte vlakjes die voor je ogen draaien, wentelen en zwieren tot je het spoor bijster bent en je als vanzelf op zoek gaat naar de oorsprong van de beweging om er vat op te krijgen.
“Kun jij ernaar kijken?”, vroeg hij terwijl hij de krant omhoog hield.
Nou, dat ging wel.
Zijn oogleden had hij zo stevig op elkaar gedrukt, zodat alles potdicht zat. Hij moest zich vastgrijpen teneinde niet om te vallen. Het bedrukte stuk papier moest uit zijn ogen verdwijnen op de snelst mogelijke manier. Veel geritsel vanaf de overzijde van de ontbijttafel. Hij had een serieus probleem te pakken.
Later, toen ik hem vroeg of hij het tweede deel van de krant ergens had zien slingeren, omdat ik verder wilde lezen en in geen velden of wegen ook maar een stukje nieuwsblad kon ontdekken, bekende hij dat hij het stiekem had weggemoffeld. Onder een stapel boeken vond ik hem weer. Zelfs het overgeschoten wit van de marges had hij vakkundig in het niets laten verdwijnen. Wow, helemaal te gek, man!

© jvs

zondag 16 maart 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 54

Hoe het met hem ging, wilde iemand weten. Die ‘iemand’ was een vieve vrouw die juist de pensioenleeftijd had bereikt en vol levenslust was begonnen aan een nieuw werkzaam leven. Precies zoals van de hedendaagse ouderen wordt verwacht. Af en toe had ik haar wel eens horen verzuchten dat alles niet helemaal meer op rolletjes ging, dat ze er eigenlijk toch beter aan deed iets vaker een pauze in te lassen. Voor het overige was zij de vleesgeworden ontkenning; wat je negeert dat is er niet. En nu wilde zij weten hoe het met hem ging.
“Hij is moe.”
Ik zag hoe zij naar adem hapte om daarover een wijsheid te debiteren. Die wijsheden zijn in de meeste gevallen eigen wijsheden, die ook wel klopten vanuit háár perspectief. In alle gevallen ging het meer over haar dan over hem, over hoe zij zag dat hij met al zijn vermoeidheid nog best mee kon doen. Bij die antwoorden voel ik mij steevast verloren. Hoe ik mij daarbij overeind houd is niet bijster interessant. Daarom besloot ik deze keer tot een schets.
“We hebben een wandeling gemaakt maar gingen te ver. Het gevolg? Hoorde hij een vogel fluiten, dan floot hij met de vogel mee. Hoorde hij de tram tinkelend voorbijkomen, dan begon hij mee te tinkelen. Toeterde een auto, dan kwam ‘toetoet’ uit zijn mond. Geen gesprek meer mogelijk. En als klap op de vuurpijl, probeerde hij een steentje dat onder zijn linkerschoen zat, onder zijn rechter uit te halen.”
Ze trok haar neus op, wilde nog iets zeggen maar bedacht zich. Ze sprak niet meer. Van zoiets had ze nog nooit gehoord. Zo snel maar ze kon, was ze verdwenen.
Ziezo, dacht ik, bij haar is het binnengekomen. Ook daar beleefde ik mijn verlies weer.

© jvs

maandag 3 maart 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 53

“Nou zeg, praat eens wat positiever,” zei een vrouw tegen het pak hem beet negenjarige meisje dat naast haar stond. De moeder was hopeloos in gevecht geraakt met een kettingslot dat haar fiets aan de fiets van het meisje vastketende. Het kind had het zelf al enige tijd geprobeerd maar kreeg het slot niet los. Om hen heen cirkelden nog twee kinderen, een jongen die wat ouderdom betreft bijna aan de middelbare schoolleeftijd grensde en een slungelig meisje met te korte broekspijpen, dat tussen de her en der gestalde fietsen de jongen nazat.
“Praat eens wat positiever”, kwam het nog eens en het kind naast haar antwoordde: “Dat doe ik toch!”
De vrouw zuchtte eens en zwengelde aan het slot. Ze kreunde hoorbaar en maande de andere twee tot rustiger gedrag. Wat zij haar dochter probeerde te leren, kwam er weinig overtuigend meer uit.

“Wees positief, je kunt er best aan werken,” zo hielden dames en heren medici en dames en heren instellingen mijn lief voor, “ga aan de slag, je zult zien dat je beter wordt.”
En hij deed wat van hem werd gevraagd, ook al omdat hij het zelf graag wilde geloven. Slecht inzicht in eigen beperkingen, zo staat het nu officieel omschreven. Wat de geleerden hem voorschreven, bleek de slechtst denkbare remedie; zijn staat van lichamelijk welbevinden heeft het verwachte eindresultaat nooit meer bereikt.
Nee, ik geloof niet zo in dat gedwongen optimisme. Een al te nadrukkelijk optimisme heeft te veel bedenkelijke kantjes. Het positivistische mantra bestookt mij tegenwoordig van alle kanten. Wie positief in het leven staat, kan nooit meer verliezen, is het dogma van deze tijd. En dat wil er bij mij niet in. Het is hopeloos.
Een realistische kijk past mij beter. Mijn beste leermomenten zijn die waarin ik fout op fout stapel. Ik heb geleerd te anticiperen op mogelijkheden die negatief kunnen uitpakken op te nemen beslissingen. Mijn natuurlijke reactie op eventueel gevaar maakt mij behoedzaam en heeft mij meer dan eens goede diensten bewezen. Ik loop graag nog wat langer op deze aardkloot rond. Is het niet voor mijzelf, dan in ieder geval voor mijn nageslacht. En voor mijn lief.

© jvs

dinsdag 25 februari 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 52

We hebben geraniums neergezet om ons achter te verschansen. Deze pelargonium, zoals zijn Latijnse naam luidt, is zo’n uitbundige, vrolijke plant, die veel meer vertegenwoordigt dan zijn imago doet vermoeden. De wereld voorbij de geranium is levenslustig en verre van grijs.
Eens, vanaf een terras in zo’n buitengemeen Frans dorp, waar de geraniums bij wijze van decreet aan alle gevels hangen, bestudeerde ik de panden aan de overkant. Daar, op het trottoir, ontwaarde ik een adonis – brede tors, gespierde armen uit een mouwloos wit shirt – die met zijn Mechelse herder op een van de voordeuren af liep. Man en hond naast elkaar in kalme wandelpas. De hond was keurig aangelijnd en droeg nuffig een halsdoek. Samen betraden zij de woning en verdwenen uit beeld. De deur draaide dicht; viel zacht in het slot. Ik jammerde bijna dat mij geen langere blik was gegund op deze spierbundel in spijkerbroek.
Algauw bleek dat ik te vroeg had gehuild. Op de bovenetage opende een raam. Twee tellen later ging ook het raam daarnaast open. Alsof een balkonscène van de koninklijke familie volgde, zo stak ineens het hoofd van de door mij aanbedene naar buiten. Hij had een wit gietertje in zijn hand. Met de zorgvuldigheid van een ziekenzorger plukte hij wat in het groen waarna hij alle geraniums aan zijn gevel van water voorzag. Pure schoonheid.
Nee, geraniums, ze zijn verre van grijs. Ik moet altijd een beetje blozen wanneer ik die roze bloempjes zie.

© jvs

woensdag 19 februari 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 51

Het boek viel met een punt bovenop mijn voet. Ik had het zien aankomen, wilde het met en ferme beweging van me af schoppen, maar het was al te laat. Het resultaat was een dikke wreef met een mooie blauwe plek erop, die uiteen viel in twee delen, een voorplat en een achterplat. Hij zag het gebeuren en zei tegen mij: “Een boekenbal is toch echt wat anders, hoor!”

© jvs

woensdag 12 februari 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 50

Op zo’n heel gewone morgen, het klimaat gedroeg zich voorzomers, liet ik gezeten op een bankje in de stationshal van een middelgrote stad de forenzen aan mij voorbij vliegen. Hun voetstappen galmden geestdriftig op zoek naar de plek waaromheen hun bestaan moest zijn opgebouwd. Een enkele bleef even haken om door een raam naar buiten te kijken, koffie te bestellen of even te bellen.
Zo ook de voorbij middelbare man, vergroeid met gifgroene IPhone, die binnen gehoorafstand op een bank naast de mijne plaatsnam. Hij had een modieus montuur met roze poten parmantig op zijn neus geplaatst en droeg een maatpak naar Britse snit; smalle, iets te korte broekspijpen waaronder vandaan guitige sokken naar me knipoogden. Zijn strenge, vastberaden blik vertelde een ander verhaal. De ogen flitsten paranoïde heen en weer. Er kwam een ijzige kou uit.
Ik kon het niet helpen grote delen van het gesprek te kunnen volgen. Daaruit kon ik opmaken dat hij de heer en meester was die de poppetjes op het schaakbord naar believen kon laten dansen. Hij mocht het tot zijn taak rekenen de zorgverzekeraarskas te bewaken door de zorgmanagers – over wie hij voortdurend ‘met alle respect’ en ‘die lui van...’ sprak – het mes op de keel te zetten bij het afsluiten van contracten met zorginstellingen.
‘Wat doen we met de begeleiding van cliënten?’, zo hoorde ik hem vragen.
‘...’
‘Nee, dat doen we niet. Anders hebben we straks begeleiders zitten op plekken waar ze niet moeten zitten.’
‘...’
‘Dan spreken we met z’n tweeën af dat we het zo doen. Zet je het nog even op een e-mail, dan kunnen er geen misverstanden ontstaan.’
Het zag ernaar uit, dat hier op dit station binnen deze middelgrote gemeente, door twee personen per telefoon in luttele minuten een bom werd gelegd onder de persoonlijke begeleiding van een grote groep mensen. Meer van het gesprek had ik niet nodig om deze kerel te scharen onder de groep meedogenloze, walgelijke managers die geen kijk hebben op de consequenties die hun resolute beslissingen hebben voor de cliënten die schuilgaan achter het werk van begeleiders.
©jvs