dinsdag 25 februari 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 52

We hebben geraniums neergezet om ons achter te verschansen. Deze pelargonium, zoals zijn Latijnse naam luidt, is zo’n uitbundige, vrolijke plant, die veel meer vertegenwoordigt dan zijn imago doet vermoeden. De wereld voorbij de geranium is levenslustig en verre van grijs.
Eens, vanaf een terras in zo’n buitengemeen Frans dorp, waar de geraniums bij wijze van decreet aan alle gevels hangen, bestudeerde ik de panden aan de overkant. Daar, op het trottoir, ontwaarde ik een adonis – brede tors, gespierde armen uit een mouwloos wit shirt – die met zijn Mechelse herder op een van de voordeuren af liep. Man en hond naast elkaar in kalme wandelpas. De hond was keurig aangelijnd en droeg nuffig een halsdoek. Samen betraden zij de woning en verdwenen uit beeld. De deur draaide dicht; viel zacht in het slot. Ik jammerde bijna dat mij geen langere blik was gegund op deze spierbundel in spijkerbroek.
Algauw bleek dat ik te vroeg had gehuild. Op de bovenetage opende een raam. Twee tellen later ging ook het raam daarnaast open. Alsof een balkonscène van de koninklijke familie volgde, zo stak ineens het hoofd van de door mij aanbedene naar buiten. Hij had een wit gietertje in zijn hand. Met de zorgvuldigheid van een ziekenzorger plukte hij wat in het groen waarna hij alle geraniums aan zijn gevel van water voorzag. Pure schoonheid.
Nee, geraniums, ze zijn verre van grijs. Ik moet altijd een beetje blozen wanneer ik die roze bloempjes zie.

© jvs

woensdag 19 februari 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 51

Het boek viel met een punt bovenop mijn voet. Ik had het zien aankomen, wilde het met en ferme beweging van me af schoppen, maar het was al te laat. Het resultaat was een dikke wreef met een mooie blauwe plek erop, die uiteen viel in twee delen, een voorplat en een achterplat. Hij zag het gebeuren en zei tegen mij: “Een boekenbal is toch echt wat anders, hoor!”

© jvs

woensdag 12 februari 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 50

Op zo’n heel gewone morgen, het klimaat gedroeg zich voorzomers, liet ik gezeten op een bankje in de stationshal van een middelgrote stad de forenzen aan mij voorbij vliegen. Hun voetstappen galmden geestdriftig op zoek naar de plek waaromheen hun bestaan moest zijn opgebouwd. Een enkele bleef even haken om door een raam naar buiten te kijken, koffie te bestellen of even te bellen.
Zo ook de voorbij middelbare man, vergroeid met gifgroene IPhone, die binnen gehoorafstand op een bank naast de mijne plaatsnam. Hij had een modieus montuur met roze poten parmantig op zijn neus geplaatst en droeg een maatpak naar Britse snit; smalle, iets te korte broekspijpen waaronder vandaan guitige sokken naar me knipoogden. Zijn strenge, vastberaden blik vertelde een ander verhaal. De ogen flitsten paranoïde heen en weer. Er kwam een ijzige kou uit.
Ik kon het niet helpen grote delen van het gesprek te kunnen volgen. Daaruit kon ik opmaken dat hij de heer en meester was die de poppetjes op het schaakbord naar believen kon laten dansen. Hij mocht het tot zijn taak rekenen de zorgverzekeraarskas te bewaken door de zorgmanagers – over wie hij voortdurend ‘met alle respect’ en ‘die lui van...’ sprak – het mes op de keel te zetten bij het afsluiten van contracten met zorginstellingen.
‘Wat doen we met de begeleiding van cliënten?’, zo hoorde ik hem vragen.
‘...’
‘Nee, dat doen we niet. Anders hebben we straks begeleiders zitten op plekken waar ze niet moeten zitten.’
‘...’
‘Dan spreken we met z’n tweeën af dat we het zo doen. Zet je het nog even op een e-mail, dan kunnen er geen misverstanden ontstaan.’
Het zag ernaar uit, dat hier op dit station binnen deze middelgrote gemeente, door twee personen per telefoon in luttele minuten een bom werd gelegd onder de persoonlijke begeleiding van een grote groep mensen. Meer van het gesprek had ik niet nodig om deze kerel te scharen onder de groep meedogenloze, walgelijke managers die geen kijk hebben op de consequenties die hun resolute beslissingen hebben voor de cliënten die schuilgaan achter het werk van begeleiders.
©jvs



maandag 3 februari 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 49

Het denken is tweedimensionaal geworden. Er zit geen diepte in. In het platte vlak dat hij denkt te zien in alle facetten van zijn bestaan, zijn verschillende lagen te zeer verweven om de nuances van dieptes te kunnen ontwaren. Het levert een nieuwe kijk op. De voorgrond is naar achteren verschoven. De achtergrond is niet langer decor maar essentie. Mooi dat daarmee de ingrediënten voor boerenkoolstamppot eenvoudig te vervangen zijn door rodekool met appeltjes.

©jvs