woensdag 26 maart 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 55

“Wow, helemaal te gek, man”, stond bovenaan op de voorpagina van het tweede katern van mijn dagblad. Daarmee greep de krant terug naar popmuziek aan het eind van de jaren zestig, toen de inktdia’s geprojecteerd tegen de achtergrond nog zorgden voor een geestverruimend effect. Voor het overige was de pagina gevuld met optical art; zwarte en witte vlakjes die voor je ogen draaien, wentelen en zwieren tot je het spoor bijster bent en je als vanzelf op zoek gaat naar de oorsprong van de beweging om er vat op te krijgen.
“Kun jij ernaar kijken?”, vroeg hij terwijl hij de krant omhoog hield.
Nou, dat ging wel.
Zijn oogleden had hij zo stevig op elkaar gedrukt, zodat alles potdicht zat. Hij moest zich vastgrijpen teneinde niet om te vallen. Het bedrukte stuk papier moest uit zijn ogen verdwijnen op de snelst mogelijke manier. Veel geritsel vanaf de overzijde van de ontbijttafel. Hij had een serieus probleem te pakken.
Later, toen ik hem vroeg of hij het tweede deel van de krant ergens had zien slingeren, omdat ik verder wilde lezen en in geen velden of wegen ook maar een stukje nieuwsblad kon ontdekken, bekende hij dat hij het stiekem had weggemoffeld. Onder een stapel boeken vond ik hem weer. Zelfs het overgeschoten wit van de marges had hij vakkundig in het niets laten verdwijnen. Wow, helemaal te gek, man!

© jvs

zondag 16 maart 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 54

Hoe het met hem ging, wilde iemand weten. Die ‘iemand’ was een vieve vrouw die juist de pensioenleeftijd had bereikt en vol levenslust was begonnen aan een nieuw werkzaam leven. Precies zoals van de hedendaagse ouderen wordt verwacht. Af en toe had ik haar wel eens horen verzuchten dat alles niet helemaal meer op rolletjes ging, dat ze er eigenlijk toch beter aan deed iets vaker een pauze in te lassen. Voor het overige was zij de vleesgeworden ontkenning; wat je negeert dat is er niet. En nu wilde zij weten hoe het met hem ging.
“Hij is moe.”
Ik zag hoe zij naar adem hapte om daarover een wijsheid te debiteren. Die wijsheden zijn in de meeste gevallen eigen wijsheden, die ook wel klopten vanuit háár perspectief. In alle gevallen ging het meer over haar dan over hem, over hoe zij zag dat hij met al zijn vermoeidheid nog best mee kon doen. Bij die antwoorden voel ik mij steevast verloren. Hoe ik mij daarbij overeind houd is niet bijster interessant. Daarom besloot ik deze keer tot een schets.
“We hebben een wandeling gemaakt maar gingen te ver. Het gevolg? Hoorde hij een vogel fluiten, dan floot hij met de vogel mee. Hoorde hij de tram tinkelend voorbijkomen, dan begon hij mee te tinkelen. Toeterde een auto, dan kwam ‘toetoet’ uit zijn mond. Geen gesprek meer mogelijk. En als klap op de vuurpijl, probeerde hij een steentje dat onder zijn linkerschoen zat, onder zijn rechter uit te halen.”
Ze trok haar neus op, wilde nog iets zeggen maar bedacht zich. Ze sprak niet meer. Van zoiets had ze nog nooit gehoord. Zo snel maar ze kon, was ze verdwenen.
Ziezo, dacht ik, bij haar is het binnengekomen. Ook daar beleefde ik mijn verlies weer.

© jvs

maandag 3 maart 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 53

“Nou zeg, praat eens wat positiever,” zei een vrouw tegen het pak hem beet negenjarige meisje dat naast haar stond. De moeder was hopeloos in gevecht geraakt met een kettingslot dat haar fiets aan de fiets van het meisje vastketende. Het kind had het zelf al enige tijd geprobeerd maar kreeg het slot niet los. Om hen heen cirkelden nog twee kinderen, een jongen die wat ouderdom betreft bijna aan de middelbare schoolleeftijd grensde en een slungelig meisje met te korte broekspijpen, dat tussen de her en der gestalde fietsen de jongen nazat.
“Praat eens wat positiever”, kwam het nog eens en het kind naast haar antwoordde: “Dat doe ik toch!”
De vrouw zuchtte eens en zwengelde aan het slot. Ze kreunde hoorbaar en maande de andere twee tot rustiger gedrag. Wat zij haar dochter probeerde te leren, kwam er weinig overtuigend meer uit.

“Wees positief, je kunt er best aan werken,” zo hielden dames en heren medici en dames en heren instellingen mijn lief voor, “ga aan de slag, je zult zien dat je beter wordt.”
En hij deed wat van hem werd gevraagd, ook al omdat hij het zelf graag wilde geloven. Slecht inzicht in eigen beperkingen, zo staat het nu officieel omschreven. Wat de geleerden hem voorschreven, bleek de slechtst denkbare remedie; zijn staat van lichamelijk welbevinden heeft het verwachte eindresultaat nooit meer bereikt.
Nee, ik geloof niet zo in dat gedwongen optimisme. Een al te nadrukkelijk optimisme heeft te veel bedenkelijke kantjes. Het positivistische mantra bestookt mij tegenwoordig van alle kanten. Wie positief in het leven staat, kan nooit meer verliezen, is het dogma van deze tijd. En dat wil er bij mij niet in. Het is hopeloos.
Een realistische kijk past mij beter. Mijn beste leermomenten zijn die waarin ik fout op fout stapel. Ik heb geleerd te anticiperen op mogelijkheden die negatief kunnen uitpakken op te nemen beslissingen. Mijn natuurlijke reactie op eventueel gevaar maakt mij behoedzaam en heeft mij meer dan eens goede diensten bewezen. Ik loop graag nog wat langer op deze aardkloot rond. Is het niet voor mijzelf, dan in ieder geval voor mijn nageslacht. En voor mijn lief.

© jvs