woensdag 30 april 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 59

In onze huiskamer is vanmorgen opnieuw een moord gepleegd. De vierde binnen drie dagen, als ik goed heb geteld. En hij kijkt ernaar, onbewogen, zoals hij onbewogen kijkt wanneer hij zijn bril terugvindt op zijn hoofd of een glas versgeperste sinaasappelsap in het kastje ziet staan naast de glazen die schoongewassen op vulling wachten. Ik hoor ijselijke kreten. De bloedspatten vliegen in het rond. De messen zijn duidelijk geslepen.
Vanaf de drempel bekijk ik de scène en loop vervolgens schouderophalend naar de keukentafel, waarop een kop thee staat te dampen. Vanaf die plek heb ik hem goed in het vizier. Mijn terugtrekkende beweging merkt hij niet op, verdiept als hij is in wat hij ziet. Zijn hoofd rust zwaar tegen de rugleuning van zijn stoel, zijn hand op de afstandsbediening. Even later zie ik hoe twee ogen vechten tegen neerslaande oogleden. Wie het wint, maakt niet uit. Het wapengekletter zal nu wel snel zwijgen, bedenk ik opgelucht.
Later vraag ik hem: ‘Hoeveel moorden zijn er vandaag gepleegd?’
Even kijkt hij me aan alsof ik een paar borrels te veel op heb. Dan dringt de vraag tot hem door. Zijn antwoord klinkt luchtig: ‘Het was geen moord, hoor.’
‘En al dat gegil in doodsnood dan? En dat monsterlijk gebrul?’
‘Nee, jij hoorde daarnet hoe de complete wereldbevolking werd uitgeroeid.’
Tsjonge, denk ik, en dan is de week nog maar net begonnen.

© jvs

zondag 27 april 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 58

Met het verdwijnen van het aantal mogelijkheden, het bij hem ontdekken van steeds meer beperkingen, is de afgunst verdwenen. Het hoeft allemaal niet zo nodig perfect, want volmaakter dan dit wordt het niet. Er mogen best wat brokjes van af vallen. Wat zou je streven naar hoogwaardig bestaan. Die ene mooie reis, die nog duurdere auto, die glimmende meubels zijn geen doel op zich. Ze zijn, als middel om een plek aan het firmament te krijgen, uiteindelijk niet erg veel waard wanneer je ze ruilt tegen de fantoom die status blijkt te zijn. Aanvaarding biedt mij meer. Het leven hebben – het leven zien – is van zo’n onschatbare betekenis, dat alle rijkdom daarbij in het niets zinkt.
Ik zie hoe de mensen om mij heen zich steeds weer met hun dromen en hun wensen, hun bezit en hun carrière wagen op het slagveld van de maatschappelijke ladder en hun successen breed etaleren. Een nieuwe stip op de horizon bepaalt hun gang. Het is niet genoeg gewoon mens te zijn en op de bodem te staan. Er moet gestreefd, er moeten doelen bereikt ten koste van offers die zij zonder onnadenkend afstaan. Ik bezie hun wapenfeiten, blij niet in hun schoenen te staan, blij mij niet te hoeven begeven in die jammerlijke ratrace die uiteindelijk, net als ikzelf, ooit naakt en bezitloos eindigt in een graf op een tochtig kerkhof. Dat is wel zo rustig en efficiënt. Sneu genoeg moeten zij voort hun bestaan te bewijzen. Angst geeft slecht advies. Mijn deernis kent grenzen, maar het zien van zoveel gekte blijft meelijwekkend.

© jvs

dinsdag 15 april 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 57

Waar zij het gore lef vandaan haalde. In een ogenblik van onoplettendheid wist zij – terwijl hij in de volle tram aanstalten maakte om naast mij te gaan zitten – onder zijn arm door te schieten en hem opzij te duwen, om de zitplaats op hem te veroveren en van mij een tijger te maken. Triomfantelijk keek ze me aan met haar dooie vissenogen. Dat had ze even lekker voorelkaar. Mij zette ze klem tussen het raam en haar dikke dijen.
‘Zeg,’ begon ik, ‘hij wil hier gaan zitten.’
Ze voelde zich aangevallen maar had besloten de rit op deze plek uit te zitten. Haar tas had ze tussen haar benen geplant en haar armen over elkaar geslagen, ontoegankelijkheid kwekend. Ze schraapte haar keel en zette net iets te luid in: ‘Ja hoor es, ik wil óók zitten.’ Haar stem sloeg van schrik een beetje over. Waar ze het gore lef vandaan haalde.

Al te gemakkelijk laat hij zich in allerlei situaties opzij schuiven. Ingesleten beleefdheid versterkt door de afgebrokkelde weerbaarheid die je eerder zou verwachten bij een zieke kat of een uitgehongerde zwerver. Nu was hij moe en kwam niet meer uit zijn woorden. Hij zou haar weg laten lopen met haar winst. Maar ik had niet voor niets als vooruitgeschoven post twee vrije zitplaatsen opgezocht. Een om mijn wankele enkels rust te geven en een voor hem. Dan kon hij even zijn vermoeide benen strekken en leeg voor zich uit staren, zonder bij het rijden voortdurend op zoek te moeten naar balans; wat hem verder zou belasten.
Dat die dikke dooie vis uit het niets kwam en hem een zet gaf, was een onvergefelijke fout. De tijger in mij sloop, nee sprong, tevoorschijn. Met een paar raak gekozen woorden blies ik haar omver. Het volume van mijn stem had de kracht aangenomen van een orkaan. ‘En nou opgelazerd,’ eindigde de storm.
Woordloos droop ze af; het sardientje. Ondertussen zag ik ogen, ogen, ogen. ‘Ja, ja,’ dacht ik, ‘durf er iets van te zeggen en ik ga nog harder waaien. De tijger is nu toch los. Als hij zijn plek maar heeft.’

© jvs

donderdag 10 april 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 56

In een andere tijd, toen hij sportief nog de wereld bedwong met hardloopschoenen aan zijn voeten, was hem bijhouden een bij voorbaat ongelijke strijd. Alsof de slak het tegen de haas moest opnemen in en race over het veld. Voor iedere stap die hij in wandeltempo zette, zette ik er twee en wanneer wij samen fietsten, riep ik als ik nog enigszins bij adem was, om een iets lager tempo. Heuvelopwaarts nam hij een voorsprong en wachtte bovenaan tot ik hem had bereikt, en reed vervolgens weer van mij weg, mij geen adempauze latend.
Nog altijd is de strijd ongelijk. Alleen nu ben ik het eerste boven en zoekt hij mijn brede rug op om zich achter te verschuilen bij het kleinste zuchtje tegenwind.

Vanuit mijn keukenraam op de eerste verdieping zag ik hem weer aan komen fietsen. Alsof een onzichtbare hand hem tegenhield, zo trapte hij zijn tweewieler voort zonder ogenschijnlijk een meter op te schieten. Zijn bovenlichaam gebogen tegen een wind die er niet was. Zijn blik was leeg, zijn ogen volgden het tegelpatroon op de grond, dat door de beweging bij hem binnenkwam als een wazig bewegende eenheid die hem van de wijs probeerde te maken.
Ik stond aan de grond genageld te kijken. De vloer onder mijn voeten daalde en paar centimeter, althans zo voelde de steek in mijn maag; een lift die snel naar beneden wil – of omhoog.
Wat kan Machteloosheid toch arrogant zijn. Geen enkele poot uitsteken om maar een enkel instrument aan te reiken dat zou kunnen helpen de kracht terug te brengen waar het ooit is geweest: in het lichaam van deze eens zo vitale man.

© jvs