donderdag 22 mei 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 61

In het gras waren de paardenbloemen tot pluizenbollen uitgegroeid. Eindelijk volwassen genoeg om aan de verspreiding van het zaad te beginnen. Hij plukte er een om mij zijn liefde te betuigen. Of ik maar even wilde blazen. Zachtjes blies ik de pluizen zonder uitzondering tegen zijn trui en broek. We schaterden er samen om. Het was ook zo’n mooi gezicht, al die pluisjes die zich volmaakt tevreden tegen hem aan vlijden om tegen de achtergrond van de donkere stof al hun facetten te tonen; pluizige steeltjes met donzige baleinen bovenaan, het gewichtige zaad eronder.
Ik besloot op zijn aanwijzing foto’s te maken van vliegende pluizen, ook al had het toestel dat ik bij me droeg een hekel aan de termen sluitertijd en diafragma. De middelen waren toereikend genoeg en bovendien kon hij me assisteren. Ik vroeg hem op mijn signaal voorzichtig te blazen. Op het moment dat ik met het toestel in de aanslag ‘ja’ had gezegd, stak vanuit zijn mond een orkaan op van ongekende proporties. De pluizen waren al ver voorbij mijn lens voor ik er ook maar een in vlucht op de korrel had kunnen nemen. Ik kon ‘stop’ roepen wat ik wilde, er was geen houden meer aan. Voordat ik dat woord had kunnen uitspreken, had hij al drie keer een nieuwe storm laten jakkeren boven de bol, die nu kaal en ellendig tussen zijn vingers geklemd zat.
Een nieuwe poging, deze keer met de duidelijke instructie dat ‘stop’ ook echt ‘stop’ betekende, en ‘zachtjes blazen’ ‘zachtjes blazen’, ving het spel opnieuw aan. Desondanks wilde de wind niet gaan liggen, zijn kracht steeg soms zelfs nog in de beaufort-tabellen. De steeltjes zwiepten en knakten. Zijn gehoororganen merkten mijn aanwijzingen niet op. Hem moest je niet storen, hij nam zijn werk serieus; waaien was voor hem waaien. Mijn trui en broek raakten bezaaid met paardenzaad. De ene bol na de andere moest eraan geloven.
Zo moest het maar genoeg zijn, besloot ik op zeker moment. De werking van de wind in combinatie met paardenpluis en fotografie kreeg ik bij hem niet meer voor het voetlicht. Ik kreeg er de slappe lach van. Hij keek me wat onzeker aan, vroeg zich af waar mijn vrolijkheid zo plotseling vandaan kwam. Was hij het voorwerp van mijn spot?
‘Het is de situatie’, verduidelijkte ik. ‘Een andere keer, met een andere camera, gaan we het weer proberen.’ Van al die windvlagen was ik er inmiddels wat pluizig uit gaan zien. Daar kreeg hij dan weer de slappe lach van. Andermaal liet hij een stevige storm opkomen. Maar mij blies hij niet zomaar leeg.

Je zult je afvragen wat er van de foto’s is gekomen. Die zijn goed geworden. Niet de opnamen die ik in het hoofd had, maar toch waardevolle beelden; al was het om de prachtige herinnering aan dit moment.

© jvs

woensdag 7 mei 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 60

Hij en ik, wij hadden zojuist de fiets aan de kant gezet om ons boterhammetje te eten op het bankje langs de Geer. Aan de overkant spoedden auto’s zich over de Lange Meentweg en wat recreanten fietsten de brug over op zoek naar een volgend knooppunt. De zon was koesterend.
“Zo, aan het vissen?”
Een grijze, sterk gerimpelde man had zijn fiets midden op de brug stilgezet. Als een jonge god balanceerde hij op zijn zadel, de ronde neuzen van zijn schoenen aan de grond, zijn handen los van het stuur, alsof hij rechtstreeks uit het circus was gekomen. Zijn tempo was dat van een boer die van zijn rust genoot. Zijn zondagse pak was smetteloos oud, als hijzelf.
“Ja hoor,” zei ik, olijk geworden in reactie op het buitenmodel gedrag dat mijn gezelschap vandaag vertoonde. Die had moeite een aanval van slaap te ontwijken.
“We vissen boterhammen.”
“Wablief?”
“Boterhammen. We vissen boterhammen.” Hij had erom gevraagd.
“Lekker weer, niet?” Kwam er weer.
“Heerlijk. Da’s genieten hè.”
Dat moest hij beamen. En er kwam meer. “Ze zeggen dat het wel twee maanden warm blijft.”
Ik herinnerde me het verhaal over El Ninjo, dat deze week dan toch de krant had gehaald. Voorzichtig wezen de voortekenen op droogte. “Als het ook maar af en toe gaat regenen. Anders klagen de boeren straks weer over gebrek aan water... om hun fruit.”
“Water? Hebbu dorst soms?”
De helft van mijn betoog was weggedreven op de Geer. Het maakte niet uit. De oude op de brug mompelde nog wat en stapte maar weer eens op. Tien meter achter ons hoorde ik hem alweer praten tegen andere fietsers op knooppuntenjacht. Die gasten hadden geen zin in hem en zwaaiden hun lastpak uit nadat zij hem over de brug hadden gedirigeerd, waar hij terug fietste van waar hij kwam, de Lange Meentweg op. Zij volgden hem traag op gepaste afstand.
Mijn gezelschap, hij keek de oude na hoe hij als een pijl uit een boog over het fietspad schoot. “Zo, die heeft conditie,” Sprak hij met ontzag. Meende ik bij hem enige jaloezie te bespeuren? Toch een jonge god, dacht ik. Mijn gezelschap zag het praktisch: “Misschien is dit wel zijn bankje. Hij had natuurlijk hier willen zitten. Dan hebben wij nu zijn dag verpest.”
Wat fijn te horen dat hem zo’n detail vandaag niet is ontgaan. En wat goed gevoel gaf het, gewoon eens een keer de dag van een ander te mogen verpesten.


© jvs