maandag 16 juni 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 65

Hoe een zorgsituatie je kan verscheuren als alle problemen op de mat van de mantelzorger komen te liggen wanneer zij de rol van ‘coach’ heeft gekregen voor de patiënt, die ook nog eens partner is; wanneer de partner een ander is dan voorheen, een ander mens in het bekende lichaam, die nauwelijks beslissingen kan nemen maar eruit ziet alsof hij nog prima voor zichzelf kan denken, terwijl je zelf je het hoofd breekt over samen opnieuw leren leven, je rouw probeert te verwerken, onverwachte problemen het hoofd biedt, financieel de eindjes aan elkaar knoopt, niet naar je lichaam luistert omdat je door moet ook al is dat met een minimum aan morele support. Hoe je als mantelzorger dan ook onwetende buitenstaanders wel eens moet vragen rekening te houden met die situatie, omdat een verstoring van het normale ritme problemen geeft: voor de patiënt, in de relatie tot elkaar, maar ook in de draagkracht van de zorgende partner. Van die laatste wordt toch verwacht dat ze het volhoudt.

Ik wilde hier op snerende toon iets schrijven; omdat uit de diepere lagen, de krochten van het leven, de broer een oordeel velde over verantwoordelijkheden en mijn vraag om wat rekening te houden met de onmogelijkheden resoluut van zijn bord af veegde.
Ik vroeg mij af hoe het mogelijk is dat ook intelligente mensen soms analytisch vermogen missen en zich een mening kunnen vormen zonder kennis der materie, zonder de juiste vragen te stellen en zonder inzicht in oorzaak en gevolg. Daar bovenop komt nog: welke rol speelt vooringenomenheid, vooroordeel? Daar kom je niet uit.
Van wie was de uitspraak ‘een oordeel laat zich weerleggen, een vooroordeel nooit’? Daarmee is het dilemma in volle omvang omschreven. Je komt er niet uit. Die snerende toon blijft dan maar liever achterwege.
Na een paar dagen disbalans, zoeken naar overleg met een patiënt die geen dag vooruit kan kijken (een gesprek, laat staan een luisterend oor, zit er bij hem niet in) heb ik mijn taak als coach weer opgevat. Er is een nieuw setje regels opgesteld. De coach weet dat het noodzakelijk is en is zich ervan bewust dat het gedrag van de broer exemplarisch is en in soortgelijke situaties veel vaker voorkomt, zo vermelden diverse professionele bronnen. Jammer, maar de verantwoordelijkheid voor die houding leg ik naast me neer.

© jvs

donderdag 12 juni 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 64

Onderaan de dijk heb ik plaatsgenomen op een gemetseld muurtje dat uitzicht biedt op het water. Schepen varen er traag voorbij. Het water dat zij laten rimpelen spat in geuren uiteen op de keien langs de kant. Ik ruik ze. Het ruikt naar zomerse loomheid. Dat versterkt de eenzaamheid die ik hier zoek. Het geeft me kracht om verder te gaan. Niemand moet mij hier nu komen storen.
Boven me, op de dijk, hoor ik stemmen. Een vader, twee kinderen. De oudste jongen, een jaar of negen, zo schat ik, komt naar beneden gelopen en gaat vlak naast me zitten. Even denk ik: “Getver, het is gedaan met mijn rust.”
Maar deze jongen is anders. Hij kijkt naar de schepen en verzucht: “O, wat mooi.” Met alle vezels van zijn lichaam beleeft hij de schoonheid van het vaartuig dat bezig is ons te passeren. “O, wat mooi.” klinkt het nog eens. Hij is intens gelukkig met dit moment van genot. “Papa, Theo, kom hier, kom kijken, het is zo mooi. O, wat mooi. Het is zo mooi.” Ontelbare malen herhaalt hij zijn zinnen in andere volgorden. De urgentie die hij erin legt, wordt steeds groter. Papa en Theo blijven boven aan de dijk staan happen in een ijsje. Het lijkt wel alsof de vreugde, het geluk van het kind langs hen heen gaat. Er komt geen beweging in het tweetal. Hun ontgaat dit volledig.
“O, zo mooi,” zegt hij nog eens. Zijn stem klinkt al zwakker. Hij kijkt mij aan alsof de twijfel heeft toegeslagen, alsof hij niet zeker meer weet of wat hij ziet, wel werkelijk de moeite waard is. Zoekt hij naar bondgenootschap?
“Ja, joh,” zeg ik en ik knik. Mijn wangen voelen ineens warm en nat. Vanaf mijn onderste ooglid is traag een stroompje gaan vloeien nu ik zijn diepste verwarring doorvoel.
Papa en Theo vertrekken en roepen hem mee te komen. “Ah, zo gauw al! Er zijn pas twee schepen voorbij gekomen. Het is zo mooi.” Toch gaat hij gehoorzaam mee.
Zijn teleurstelling snijdt dwars door me heen. De arme jongen, die zijn blijdschap wil delen omdat hij zijn geluk even niet op kan, zal zich nog heel vaak in de steek gelaten voelen omdat wat hij wil delen niet wordt aangenomen. En hij zal zich telkens vertwijfeld afvragen of hij zich heeft vergist. Wat een eenzaamheid.
De vader wil ik toeschreeuwen: “Man, kijk nou eens naar je jongen, zie je niet hoe wanhopig hij bezig is van zijn geluk ook jouw geluk te maken? Kom naar beneden en zet je oogkleppen af.”
Maar ja, waar bemoei ik me mee.

© jvs

maandag 9 juni 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 63

Ze mag dan oud zijn, ze probeert alles uit het leven te persen wat er nog voor haar in zit. Hoewel haar mogelijkheden daartoe steeds beperkter worden, kijkt ze nog om zich heen en kan ze zich blijven verheugen op een fijne voetbalwedstrijd op tv.
De dood houdt zij op afstand. Niet dat ze er bang voor is. Ze gaat nog graag en poosje mee. Daarom laaft ze zich ook aan de herinnering. Voor de gelieven die haar ontvielen, heeft zij in de donkerste hoek van haar kamer een klein altaar opgericht. Daar staan de foto’s, daar staat een urn en daar liggen de relikwieën de vergankelijkheid te bevestigen. Het zijn haar doden. Ze heeft er een oplaadbaar elektrisch waxinelichtje bij gezet. Na een dag is het leeg en wordt het vervangen voor een vers exemplaar. In memoriam voor een leven.
Vandaag heeft ze er iets meer moeite mee. De eetlust is tijdelijk verdwenen, haar krachten zijn haar lichaam ontglipt. Met haar strijdlustig karakter neem ze daar geen genoegen mee. De magere bouillon die haar wordt gebracht, neemt ze met smaak tot zich. Tussen elke hap door kijkt ze even naar buiten om te zien hoe de bomen dit jaar opnieuw zijn gegroeid, om te zien hoe de vogels druk aan het werk zijn om een tweede leg te kunnen aanvangen.
Dan valt haar oog op haar altaartje. Alles staat er pico bello bij. Alleen het lampje heeft alle kracht verloren en is gedoofd. De donkerste hoek van haar kamer is alle betekenis kwijt. Zij schudt misnoegd haar hoofd voor ze begint te spreken. De kwestie dient op de kortst mogelijke termijn opgelost. Ze wijst naar het lampje, ze wijst naar de lader, ze wijst nog eens naar het lampje en kijkt mij priemend aan: “Zeg, wil jij dat lampje even vervangen? Anders heb ik daar zo’n dooie hoek.”

© jvs

zondag 1 juni 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 62

Toen ik de keuken binnenkwam, merkte ik aan alles hoe de vlag erbij stond. Hij wilde een gesprek beginnen en legde mij direct grommend het zwijgen op toen ik wilde antwoorden. Hij moest even nadenken. Twee keer opende en sloot hij de koelkast voor hij wist waarmee hij bezig was. Zijn armen maaiden koersloos in het rond. Een vinger gleed snel langs mijn rug terwijl ik langs hem liep. Een gesprek zat er allang niet meer in.
In al zijn beweeglijkheid lanceerde hij met zijn elleboog het mes van het aanrecht, waarmee hij tomaten had staan snijden. Tomatenprut spetterde alle kanten op. Hij keek het na terwijl hij het mes al opraapte. Die actie bracht een pannendeksel uit balans, zodat die ook nog maar even van het aanrecht zwiepte. Een hels kabaal.
Een gewaarschuwd mens telt voor twee maar hem tot meer rust manen, maakt hem overmoedig. “Het gaat allemaal best,” zei hij steeds als ik hem probeerde bij te brengen dat hij bezig was kleine stukjes van zijn karige energievoorraad af te knabbelen.
Later die dag ging het nog een paar keer mis. Er vloog een boek van tafel, een mobiele telefoon kletterde tegen de grond en op het laatst ging er een koffiekop aan diggelen. “Dat komt omdat de dingen niet op hun plek liggen,” verklaarde hij. Dat die ‘dingen’ op een heel andere plek lagen, ver weg van de koffiekop, maakte hem niet uit – hij vond dat het er had moeten liggen; daar anticipeerde hij op en daarom brak de kop. Voor de breuk kon hij eenvoudigweg niet zelf verantwoordelijk zijn. Het lag ver buiten hem.
“Smoesjes”, zei ik gekscherend. De realiteit is te ingewikkeld. Hem bewust maken van het verband tussen vallende spullen, uitputting en apraxie is nooit aan hem besteed. Onbegonnen werk. Trouwens, die vallende messen, volgespetterde vloeren en kastdeurtjes, gedeukte pannendeksels en koffiekopjes in scherven kunnen mij eigenlijk geen moer schelen.

© jvs