zondag 20 juli 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 67

Herinneringen doen hem goed. Weggedoken in een werkelijkheid geconstrueerd door simpele verwoesting, is het oude nu ver af. De herinnering komt enorm levend bij hem binnen wanneer je de juiste trekker overhaalt. Foto’s uit de oude doos brengen hem een verleden en daarmee een identiteit terug.
Samen liepen we door het Apeldoorns museumgebouw waar heden, verleden, kunst, informatie, en allerhande cultuur en voorziening bijeen zijn gebracht. Hier vond hij een trap waarop een waterval was geprojecteerd. Het water gutste er als het ware van af. Een klaterend geluid begeleidde het beeld. Doeltreffend in zijn eenvoud.
Hij ging erop af en voelde zich weer bij de Loenense waterval, waar hij, jong nog, met zijn kleine broertje speelde. Met hun voeten gespreid hielpen zij het water verder naar beneden te stromen of beletten het in zijn loop. Onvermoeibaar. Het plezier van een kind, onschuldig aan wat hem nog te gebeuren stond. Ook nu liep hij de trap op en af, de voeten gespreid als om het water tegen te houden. Ik begon te filmen. Voor hem. Om de herinnering levend te houden. Hij was in Loenen, blij als de jongen van toen. Het deed hem zichtbaar veel.
Al zou hij het graag doen, zijn herinnering kan hij niet meer delen met wie hij het zou willen delen. De afvoer daarheen is verstopt. De stroom is afgesneden. Hem rest het verhaal van het kleine geluk dat hij daar vond in het broederlijk samenspel.

En passant las ik de tekst bij de trap. Ik was niet eens verbaast over wat er stond. Het was een natuurlijk gegeven dat hier de Loenense waterval werd verbeeld. Onbetaalbaar fortuin.

© jvs

vrijdag 11 juli 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 66

Hoe vaak komt het niet voor dat twee mensen dezelfde taal spreken en desondanks elkaar niet kunnen verstaan. Wat een groot ongemak is dat. Je spreekt met dezelfde woorden en de bedoeling van die woorden blijven steken in andermans perceptie en beschuldiging. Hoe blij kun je zijn als het tegenovergestelde op je af komt. Twee mensen die elkaars taal niet verstaan en desondanks elkaar toch begrijpen.
Hij en ik verbleven in zo’n enorme supermarkt die je kunt aantreffen aan de rand van de stad, ergens in een land waar de Nederlandse taal niet frequent wordt gebezigd. Het was zo’n winkel met enorm lange rijen producten. Planken ingericht volgens de aldaar geldende logica, gevuld met allerhande waar in voor ons vreemde verpakkingen bedrukt met onbekende logo’s en vooral anderstalige tekst.
Natuurlijk kwamen we er wel uit. Wij zijn niet helemaal blond. Het was meer de maatvoering van de winkel die ons zorgen baarde. Hoe vinden hij en ik onze weg door dit doolhof van voedingsmiddelen en aanverwanten. Hij was al snel de weg kwijt. Indrukken verzamelen en die omslaan naar een logisch verhaal is hem ingewikkeld. De boodschappenlijst bood hem daardoor geen houvast meer. Hij wilde meedenken maar het gevoel voor wat nodig was – welk lekker biertje hij zou willen drinken, welke maaltijden hem door de komende paar dagen zouden slepen, de ingrediënten die daarbij nodig waren – was hij kwijt. Hij hield het bij het beheer van de boodschappenkar en riep mij geregeld om bijstand te verlenen bij het ordenen van zijn gedachten. Ondertussen deed ik mijn best uit te zoeken wat nodig was en de vindplaats ervan op te slaan in mijn geheugen. Het benodigde legde ik in de kar die hij sinds de groenteafdeling bij zich hield.
Bij het bier aangekomen raakte hij weer helemaal in zijn element. Hij tilde flesjes uit het schap, probeerde te lezen wat het etiket vertelde en voeg ten slotte aan mij de tekst toch maar even voor te lezen. Zijn bril zat ergens in een jasje dat hij niet bij zich had.
Terwijl hij en ik zo voortvarend aan het shoppen waren, kwam er een oudere dame het gangpad in gesloft. Ze zag eruit alsof zij zojuist de laatste etappe van de Nijmeegse Vierdaagse had uitgelopen. Alleen de bos gladiolen ontbrak eraan. Ze hijgde en pufte. Met haar laatste krachtsinspanning rukte zij de kar uit zijn handen en controleerde de inhoud.
‘U hebt mijn boodschappen,’ zei ze in een onverstaanbaar dialect in een andere taal. Met gebaren ging ze verder: ze was de hele winkel al drie keer door gelopen, ze was al zo moe, maar om het misverstand kon ze vreselijk lachen.
‘Nu moet ik onze kar gaan zoeken,’ zei hij. ‘Hoe vind ik die nu weer.’
Zij duwde hem tegen zijn schouder en gebaarde hoofdschuddend zoiets als ‘een vergissing is menselijk’ en meer van dat fraais. Nogmaals gebaarde ze zich de uitputting nabij; nogmaals zag ze de grap van het hele geval in, nogmaals was een vergissing menselijk.

Hem heb ik bij het zoeken naar de kar, de armen vol van boodschappen, in de gaten gehouden. Je kunt nooit weten of hij weer op drift raakt. De vrouw bleef nog lang doorgaan met gniffelen, was bij de kassa nog hoorbaar. Het zat wel goed met haar. Zij, hij en ik verstonden de universele vergissing. Ons persoonlijk drama bleef beperkt tot het vergeten van slechts een item op de lijst.

© jvs