zaterdag 30 augustus 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 70

Hij viel in mijn oog op het moment dat hij tussen twee geparkeerde auto’s zijn colbertjasje uittrok en keurig gevouwen op een achterbank neervlijde; zo’n man die nog mee komt. Van bovenuit mijn wereld van verderfelijke chaos had ik het complete overzicht. Een middenklasser tussen twee zilvergrijze middenklassers. Een onschuldig mens met een gewichtige zaak voor de boeg. Wat een genot om te zien hoe de mens zich gedraagt volgens de ongeschreven regels die de norm voorstellen, hoe de plooi de plooi blijft en hoe de standaard stut is bij het maken van een aanvaardbare, doch alle het overige verhullende identiteit die façade is.
Toch bleek ook deze mens voor alles gewoon mens toen hij op een steelse manier links en rechts keek. Zijn lichaamshouding veranderde van een fiere vent in een schijterig jong kereltje dat nog even snel zijn piepie moet doen. Tegen zijn eigen portier? Dat kon ik niet zien. Misschien spetterde hij de boel wel meteen op de grond en kon hij straks zijn broekspijpen gaan reinigen. In elk geval was zijn aandacht nu bij de hoge nood; zijn ellebogen wezen naar buiten, zijn hoofd hing omlaag. Onmiskenbaar de houding van een pissende.
Twee tellen later was het alweer gedaan. De achterkant van zijn broek trok hij nog iets op. Zijn rechterheup ging mee omhoog. Daarna sprak zijn geweten. Bedekt keek hij alle kanten op om te zien of niet iemand hem had gespot bij dit moment van kreukbaarheid. Vervolgens hupte hij zomaar wat achteloos op en neer en kwam springend tussen de middenklassers vandaan. De grote gedaantewisseling had zich voltrokken. Ineens bleek hij een hardloopbroekje om een sexy kontje te dragen. Wat kan een mens zich vergissen.
Of hij een aantrekkelijk gezicht had, weet ik niet. Hij was vergeten naar boven te kijken.

© jvs

woensdag 13 augustus 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 69

Deze morgen moest ik denken aan Holi-Phagwa, het hindoeïstisch nieuwjaarfeest waarvoor hij en ik samen met onze kinderen waren uitgenodigd. Dat was jaren geleden; het heeft bij ons een diepe indruk achtergelaten. Ik was er al vaker geweest om er mijn werk te doen: foto’s maken en er een artikeltje over schrijven. Deze keer was ik niet van plan te gaan. Hij was die dag jarig en wij wilden uit eten.
‘Dan kom je toch daarna!’, werd mij te verstaan gegeven. ‘En neem je man en kinderen mee. Dan vier je zijn verjaardag bij ons.’
Wat een beetje aandringen al niet vermag. Meer dan welkom waren we. Gewillig lieten we ons volgens de traditie bekogelen met felgekleurde poeders en geurige parfums. Dat ging vergezeld van de wens ‘Subh Holi’. Als volleerd Holi-Phagwa-vierders wensten wij iedereen die het wilde horen ‘Subh Holi’ terug. De poeders zaten in alle plooien van onze kleding en ons gezicht was voor de rest van de avond rood en geel. Neus en oren zaten vol. Dat schept een band.
Van zelf drankjes betalen was geen sprake, we waren voor de rest van de avond vrij gemaakt; het voedsel dat rijkelijk doorkwam, smaakte geweldig en we genoten van de muziek. Hij kreeg zelfs een prachtige verjaarstoespraak. Zoiets vergeet je niet snel.

Deze morgen hoorde ik hem scharrelen in de slaapkamer. Er klinkt altijd gerucht en geruis en altijd valt er wel iets. Het is een ritueel waar je niet tussen moet komen. De ochtend is er om traag bij te komen van de nacht. Wassen, aankleden, ontbijt; het kost hem energie. De juiste volgorde is de beste. Met geschuif in orde dreigt een dag meteen in wanorde om te slaan.
Ik vond hem op de rand van het bed met en bergje mentholpoeder op een voet. Ernaast lag net zo’n hoopje. Kennelijk had hij al een poosje zo gezeten. Hij keek er naar, stil en onderzoekend. Waarschijnlijk om er zeker van te zijn dat de poeder niet meer in het busje zat, en te overdenken hoe het bergje geslecht diende te worden. Dat busje hield hij leeg in zijn hand. Hij meende dat de hele dop eraf moest om het strooidopje bereiken. Het was hem ontgaan dat deze samen gaan en de strooidop achter een klepje verstopt zit, dat je eenvoudig met je duim kunt bedienen. Hij had de grootste opening laten ontstaan, die je maar kon bedenken. Strooien werd gooien.
Ik wenste hem ‘Subh Holi’.

© jvs

vrijdag 1 augustus 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 68

Het is officieel: ik ben een slecht mens zonder karakter, die de kantjes ervan af loopt en geen hand uitsteekt voor oude dametjes in nood. Nee, erger nog, ik ben in haar nabijheid ontploft en draag nu schuld voor alles wat zal volgen. Verzachtende omstandigheid: ik ben mens. Er bestaat zo’n spreekwoord over een kruik en een barst en langdurige onderdompeling. Zoiets.
Ik moet denken aan de schilderijen die ik lang geleden zag. Ogenschijnlijk vlekkerig en abstract, bleken zij vanuit een bepaald standpunt gezien hun ware identiteit te onthullen. De anamorfose verheelt de werkelijkheid. De onderzoekende mens vindt het complete beeld en wordt getroffen door wat hij ziet. Hij raakt in verwarring, denkt na en stelt zichzelf de vraag hoe deze zinsbegoocheling mogelijk is en hoe het komt dat hij zich door het oppervlak heeft laten bedotten. Wie niet zoekt, mist de essentie en doet zichzelf en het object te kort; hij blijft onwetend achter, halsstarrig blijven herhalen dat de kunstenaar een idioot is.
Die verdomde perceptie die gepaard gaat met snel oordeel en vooroordeel, ongefundeerd, zonder nader onderzoek, schrijft mij bij op de lijst van mensen die op geen genade meer hoeven te rekenen.
Als slecht mens, en wellicht ook idioot, voel ik me vereerd. Het moet uitermate belangrijk voor de jury zijn geweest beraadslagingen te hebben en oordelen te vellen over zo’n verachtelijk persoon als ik. Het is buitenproportioneel; maar dat terzijde. De jury heeft de juiste positie om de anamorfose te ontrafelen niet gezocht. Nu ik in ongenade ben gevallen en verbannen naar het land van sukkels en losers, draag ik mijn titel met trots.

© jvs