maandag 29 september 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 75

Hij en ik aan de wandel langs het strand. Geen diepe gesprekken; die vallen hem wat moeilijk. Mijn schoenen uitgetrokken, mijn voeten in het water, mijn gezicht in de stand van diep geluk; het zand, het water, de wind en de zon – aarde, water, lucht en vuur – alle rijkdom bijeen. En hij aan de waterlijn ook zichtbaar genietend.
Aan onze zijde bewoog een rood ballonnetje – tot één laatste bubbel lucht ineengekrompen – alsof het een visje was dat met twee korte stukjes touw als beentjes of armpjes, op de wind en de golven met ons mee tijgerde. ‘TuS Hollstein’ vormde zijn wit met zwarte oog. Soms bleef het even achter maar steeds haalde het ons weer bij.
Zulke vondsten zijn altijd goed voor gedachten over de bestemming ervan. Waar gaat het heen als het eiland ophoudt? Kiest het dan zee tot aan het volgende eiland? Blijft het liggen of steekt het de watervlakte over naar verre bestemmingen. Nooit krijgt zo’n verhaal een eind.
Op de dammetjes, waar kolonies meeuwen de dienst uitmaakten, wist ons visje de vogels verschrikt een hupje te laten maken. Geen meeuw had behoefte het rode gevaar met een pik van de snavel het zwijgen op te leggen. Sommige dammetjes waren te hoog. Dan bleef ons visje achter. “Kom dan”, riep mijn lief. Of hij floot, waarna het visje op miraculeuze wijze zijn weg vervolgde, de dam overstak, terug naar de golven rolde en met een vaartje achter ons aan hobbelde. Het trouwe dier.
Vanuit tegenovergestelde richting verscheen een vrouw die met ferme pas de wind trotseerde. Zij hing voorover tegen de wind en verzette haar voeten in doelgerichte soldatenpas voorwaarts en nergens anders heen; haar stevige kuiten ontbloot boven wandelschoenen die diepe sporen nalieten in het zand, haar windjack bolde om haar heen. Ze was op weg naar de plek waar wij vandaan kwamen.
TuS Hollstein, die wat achter was gebleven, waren wij heel even vergeten, tot de struise dame zich bukte en iets van het strand opraapte. Terwijl ze zo abrupt tot stilstand was gekomen, zagen wij hoe zij met kracht iets aan het verrichten was wat achter haar brede lichaam plaatsvond. Ze boog diep voorover om iets wat ze ter hoogte van haar navel hield, met kracht aan te pakken. Zette ze nou ook haar tanden nog ergens in? Niet veel later liep ze door.
Op de plek waar zij had gestaan, zagen wij hoe ons visje de laatste adem had uitgeblazen. Wat haar heeft bezield, wij kunnen het slechts bevroeden. Onze TuS, ze had hem doodgeknepen.

© jvs

donderdag 18 september 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 74

Hij en ik, bij het rondje fietsen komen we aan op de plek waar de bosbrand tijdens de paasdagen heeft gewoed. De natuur op de Hoge Veluwe heeft daarna niet stilgestaan. Veel zwart land is opnieuw groen geworden. Deze dennen echter staan zwartgeblakerd in een groepje te fluisteren alsof er nog leven in zit. De bomen met hun gekromde takken – dik en grillig – hebben geen ademhaling meer. Hun voorkomen is raadselachtig. In de zon ziet de verkoolde bast er purper uit, met zilvergrijze randen.
Mijn fiets zet ik aan de kant om hier foto’s van te nemen. Hij blijft staan langs de kant van het fietspad en kijkt mee. Hij heeft ze het eerst gezien en is even onder de indruk als ik. Het is prachtig weer, de dag is in rust, een indian summer is nakend. Het is een kalme plek waar de inspiratie uit elke kier in de grond opstijgt. Hij geniet en vraagt bijna doorlopend of ik mij ook kan verlustigen aan dit stuk natuur.
Terwijl ik voorzichtig tussen de bomen op zoek ben naar het beste licht en de mooiste beeldvulling, stappen meer mensen af en volgen ons voorbeeld. Fiets langs de kant en gewapend met camera afstuiven op de bomen. Daarbij zorgen zij ervoor mijn beelden te respecteren. ‘Zij fotografeert wat af,’ merkt er een op.
‘Mmm,’ mompelt mijn metgezel.
Af en toe moet ik mijn enthousiasme over de vormen en kleuren kwijt. Je kun mij zacht horen kreunen over zoveel schoonheid in het brandhout. Maar ook omdat ik liefst zo lang mogelijk hier wil blijven genieten. Zo kan mijn lief even bijkomen; en ik eigenlijk ook. Even geen andere gedachten; slechts omgeven door pure schoonheid en natuur , een prettige nazomerzon op de huid en een leeggewaaid hoofd. De zorgen zijn voor morgen.
Opnieuw komen er fietsers langs het pad voorbij het groepje, dat inmiddels in uitgebreid tot een stuk of tien, twaalf bomen en drie fotografen. Deze fietsers zijn niet van plan af te stappen. Dat is maar goed ook. Ze zouden ons gezamenlijk tekort doen. Een van die fietsers durft zelfs de magie te doorbreken met een vraag die mij nog steeds bezighoudt: ‘Wat is hier nou eigenlijk de charme van?’
Ach, vraag ik mij af– gevuld met niets – hoe zou ik dat kunnen weten!

© jvs

vrijdag 12 september 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 73

Het is op een vreemde manier druk in het winkelcentrum. De vakantie is om. Maandag neemt het normale leven zijn loop. Ook het zomerse weer heeft besloten de vakantie ten einde te verklaren. Buiten vallen spatjes motregen, binnen is het broeierig warm.
De gasten in het winkelcentrum zijn in de normaalstand en brengen deze keer – een laatste uitje – hun kinderen mee. Alsof het zo is afgesproken, hebben die besloten de vakantieverveling nog even lekker te botvieren op de oren van mijn lief. Waar je ook kijkt, overal bengelen kleintjes aan karretjes, rennen ze langs je heen, laten je tas daarbij zwiepen, trekken onaangekondigd spullen uit rekken en zetten het op een zeuren, eisen en huilen en gillen. Niet een uitgezonderd. Het wordt tijd voor school. De jeugd heeft het gehad met deze zomer.
Voor mijn lief is dit een carnaval van prikkels. De geluids- en bewegingsgolven doen bij hem het laatste restje attentie verdwijnen. Normaal drijft hij, om nog iets te kunnen functioneren, op regelmaat. Nu loopt er naast mij een ontheemde man die niet meer weet hoe bij de auto te komen. Glazig kijkt hij om zich heen. Daarom neem ik het heft in handen en loods hem via de snelste route naar de parkeergarage.
Na betaling, duwt hij de parkeerkaart in mijn handen met hetzelfde gebaar waarmee hij het gewoonlijk in een borstzak steekt. Uit voorzorg houd ik dit uitgangsbewijs in bewaring.
– Het zal mij benieuwen of hij dat straks nog weet, denk ik.
De uitgang is hem een barrière geworden. Met het raampje naar beneden wacht hij op een parkeerbewijs zoals hem dat gewoonlijk bij de ingang wordt verstrekt. Ik zie een lichte paniek ontstaan.
‘Waar moet ik op drukken, wat moet ik doen?’ Zijn vinger ligt al op de noodknop, klaar om assistentie in te roepen van een stem die niets voor hem kan doen.
Als ik hem vertel dat hij mij het paspoort naar buiten in handen heeft gestopt, begrijpt hij er niets van. De automaat bij de slagboom, die smacht naar dat stukje papier, is hem voor even een vreemd apparaat waarmee zonder handleiding niet te werken is. Zijn handelingen probeert mijn lief in gedachten te achterhalen. Dat gaat hem niet lukken. Het zijn zeepbellen geworden die op de wind hun eigen weg zoeken.

© jvs

donderdag 11 september 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 72

Een paar dagen geen instanties en instellingen die met ritselende papieren en dwingende blikken proberen van de zieke een gezonde te maken – waarbij zij overigens geen gebruik maken medische behandelingen maar van bezweringen en formuleringen. Realiteit schijnt zeer betrekkelijk te zijn. Ik zoek naar zuurstof en hij gaat mee.
Op de dijk in Oostende dringt de kalmte bij ons binnen. Even niets. Ja, water, zand, licht en lucht. De volgorde is daarbij niet zo belangrijk. Het gaat erom dat deze atmosfeer ons zandstraalt, waardoor het gruis van het grijs wordt afgevoerd. Het doet goed.
Ons tegemoetkomend op diezelfde dijk, een half vergane heer die een rolstoel voortduwt met daarin zijn vergane glorie gekleed in een stralend witte jas met hoed; een veeg lipstick opvallend onder de rand vandaan. Het is het toonbeeld van liefde, zoals ze daar samen over het toneel rollen. Mijn bewondering gaat uit naar de gepassioneerdheid waarmee de man misschien al jaren zijn dame onderhoudt. Zij is knap, ondanks haar leeftijd, die ik ergens in de tachtig schat.
Dan vallen mijn lief en ik in haar blikveld. Haar houding verandert. Er komt een verbeten trek rond de lippenstift. Haar hand kromt zich tot iets wat op een vuist moet lijken. En die beweegt ze woedend omhoog terwijl zij iets onverstaanbaars fulmineert in onze richting. Al haar frustratie over zittend leven stort ze uit over mijn lief en mij. Wij zijn schuldig aan haar leed omdat wij lopen, omdat wij haar leeftijd nog niet hebben bereikt, omdat haar wereld zoveel kleiner is geworden.
Arme vrouw. Zij kan het niet helpen dat ze zo kwetsbaar is geworden. Daar helpt geen enkele bezwering tegen, wat instanties er ook van vinden.
En ach, zij moest eens weten.

© jvs

vrijdag 5 september 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 71

Bij het fornuis is hij bezig, zijn bovenlichaam een en al beweging. Voor hem staat een ketel stoom af te geven en daarnaast, op een andere pit, heeft melk in een steelpan zin in bellenblazen. Hij reageert door aan knoppen te draaien, pannen te verschuiven  en opnieuw aan knoppen te draaien. Er komt nogal wat kijken bij het zetten van een bak koffie en een pot thee. In zijn hoofd heeft hij de kopjes al klaar gezet, het thee-ei gevuld en het verdere ritueel gestalte gegeven. En dat terwijl plannen niet zijn sterkste kant is. Nu beide vloeistoffen tegelijk hebben besloten hun kookpunt te bereiken, wordt het hem wat te veel van het goede.
Dan kom ik ook nog eens de keuken in lopen. Niet dat ik iets zeg maar hij voelt bij wijze van spreken mijn hete adem in zijn nek. Nu schiet hij helemaal in de stress. ‘Stoor me niet! Ik ben nu niet meer aanspreekbaar,’ bijt hij me toe.
Het is meer een waarschuwing. Toch moet ik verrekte goed uitkijken dat ik niet al te veel zeg. Voor je het weet heeft de melk het vlammetje eronder gedoofd, blijft het gas ongeoorloofd uit de pit stromen en is het fornuis van kleur verschoten.
Een beetje timide sta ik stil en kijk naar de beweging bij het fornuis. Mijn lachen kan ik niet inhouden.
Tegen het gebod in zeg ik: ‘Ben je ook niet meer aankusbaar?’
Die opmerking redt hem uit zijn benarde positie. Alles is weer onder controle. Wij houden elkaar even stevig vast. Dat helpt de wanhoop weg te werken.

© jvs