dinsdag 18 november 2014

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 78

Wat wil ik hem graag iets vertellen. Gewoon zo’n verhaal, als alle, met een begin, een middenstuk en een eind, zijpaden bewandelen, personages bespreken, achtergronden erbij; gewoon de dag wat doornemen – gewoon.
Steeds probeer ik het opnieuw, met een ander verhaal, een afgebroken verhaal, een nieuwsbericht. Hij luistert, ogenschijnlijk met aandacht. Hij is een goed acteur. Zijn uitgestreken gezicht vertelt mij niet dat hij mij kwijt is. Hij wil mij niet kwetsen. Dus doet hij nog een poging geïnteresseerd te lijken maar de wanhoop slaat hem dan al om de oren. Ik zie hoe hij zijn hoofd opricht en ademhaalt voor een vers pak op mijn donder. Verstoord – voelt hij zich aangevallen? – brengt hij ontwarring: “Ja, wat wil je hier nou eigenlijk mee zeggen.”
Alsof ik hem iets voor de voeten heb geworpen, alsof hij er resoluut mee klaar is. Afgewezen druip ik af.
Vandaag kom ik bij hem terug, een uur na weer zo’n uitval. Voorzichtig vertel ik hem wat ik voel. Geen verwijt, geen schuld. Hij is het zich bewust, zegt hij – herkent het – en lacht erom. Ik ben hem onnavolgbaar. Die zijpaden, achtergronden, dat uitgebreide middenstuk; in zijn hoofd raken ze versnipperd tot een miljoenen stukjes tellende legpuzzel. Nooit meer op te lossen.
Bij een volgende gelegenheid zal ik zijn uitval gewoon weer slikken. Nu kussen we het af.

© jvs