maandag 9 maart 2015

Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 81

De zurige, weeë lucht die bij vlagen mijn neusgaten binnendringt, associeer ik met de dood. Ik ken de geur nog van vroeger, toen ik als kind vlak bij de beendermeelfabriek woonde. Als de wind verkeerd stond, drong het odeur van oude karkassen diep de neusgaten binnen. Zoiets blijft je bij. Hier in huis is het er even en dan is het weer weg. Het maakt een beetje misselijk. Gisteravond heb ik er al een vleug van geroken toen de afvalbak in de keuken nog openstond omdat de vuilniszak, waarin de plasluier van kleindochter er zojuist was uitgehaald. Desondanks bleef het hangen. Die lichte misselijkheid weet ik aan de pannenkoek die wij samen met kinderen even daarvoor hadden gegeten om de verjaardag van mijn lief te vieren.
Onwillekeurig kijk ik naar hem. Hij zal toch niet... Nee, hij zit er nog; springlevend. Mijn angst is verklaarbaar maar overdreven. Ik wil er niet aan toegeven en mij verliezen in paniek. Mijn gedachten zet ik op een ander spoor. Hij moet er om lachen.
– Ik ben niet meteen een oud lijk.
Toch blijft die lucht. In de nacht heeft die zich zurig door het trappenhuis verspreid. Ook de bovenverdieping is nu geïnfecteerd. Op onderzoek uit merk ik dat de riolering naar behoren functioneert. Voor de zekerheid een scheut bleek in het toilet. De geur dringt daar dwars doorheen.
– Straks zit er een dood vogeltje in de luchtkoker, zeg ik.
Ik weet niet meer waar te zoeken. Hij ook niet. Hij werkt er gewetensvol om het ontbijt klaar te zetten en dat tot een goed einde te brengen. Alle aandacht gaat uit naar het tellen van de hoeveelheid dingen die op tafel staan; naar het water in de ketel; naar de eieren in de pan.
Niet veel later komt hij naast het fornuis de oorzaak van die ellendige geur ineens tegen. Twee dagen eerder heeft hij porties kip staan snijden om ze in zakjes verdeeld in de diepvries te stoppen. Een zakje had de euvele moed aan zijn aandacht te ontsnappen en buiten de koelkast op het aanrecht te blijven liggen, ergens in het verborgene. Vast even afgeleid door een of ander. Nu komt het zakje ineens tevoorschijn; de rakker, verantwoordelijk voor dood en verderf in ons huis. Mijn lief schalt zijn prestatie door het huis.
– Gevonden.
En alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, komt er droog achteraan:
– Het is – gewoon – een stuk kip.
Ik, opgelucht:
– Aha, dus toch een dood vogeltje.

© jvs